Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.3.1
15.3.1 Problematiek bij uiteenlopen genieting door STAK en door certificaathouder
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232764:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bepaalde uitzonderingen zijn denkbaar, zoals een handelen van de certificaathouder dat leidt tot toerekening van de vervreemdingshandeling aan hem, een gebeurtenis die op grond van artikel 4.16 Wet IB 2001 direct een fictieve vervreemding voor de certificaathouder vormt of certificaten van aandelen in een laagbelaste beleggingsvennootschap in de zin van artikel 4.14 Wet IB 2001, zodat sprake is van een forfaitair rendement in box 2.
Zie nader paragraaf 13.4.1.5.1 inzake vervreemdingsvoordelen en paragraaf 13.4.1.5.2 inzake reguliere voordelen.
Ik verwijs naar paragraaf 13.4.2.4.
Dan wel box 1-vermogen, in geval van de terbeschikkingstellingsregeling.
Oftewel een onvolkomenheid in categorie 3(a).
Het probleem is in de kern het volgende. Het is mogelijk dat de STAK op enig moment aanmerkelijkbelangaandelen vervreemdt, zonder dat deze vervreemding aan de certificaathouder toegerekend kan worden of dat bij de certificaathouder sprake is van een fictieve vervreemding. Ook kan zich de situatie voordoen dat de STAK een dividend ontvangt of een voordeel met betrekking tot een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel, zonder dat zich voor de certificaathouder een genietingsmoment respectievelijk realisatiemoment voordoet. Ik neem hierbij steeds aan dat de STAK de verkoopopbrengst niet in het jaar van vervreemding doorbetaalt aan de certificaathouder.
In deze gevallen rijst allereerst de vraag op welk moment zich ten aanzien van de certificaathouder het belastbare feit voordoet, het moment van genieting c.q. realisatie door de STAK of pas het latere moment van daadwerkelijke dooruitkering van het ontvangen inkomen door de STAK aan de certificaathouder. In geval van vervreemdingsvoordelen en reguliere voordelen is er naar mijn mening in principe1 geen aanknopingspunt voor heffing op het moment dat de STAK vervreemdt of dividend geniet, zodat de heffing bij de certificaathouder eerst kan plaatsvinden op het moment dat het inkomen daadwerkelijk aan hem wordt uitgekeerd.2 In het geval van de terbeschikkingstellingsregeling valt, gezien de ruime definitie van het ter beschikking stellen van vermogen in de artikelen 3.91 en 3.92 Wet IB 2001, enerzijds te betogen dat het realisatiemoment van de certificaathouder wel samenvalt met dat van de STAK, maar anderzijds ook dat de certificaathouder pas realiseert op het moment dat de STAK het inkomen aan hem dooruitkeert.3
Indien het belastbare feit zich voor de certificaathouder niet voordoet op het moment dat de STAK de inkomsten geniet, doen zich bovendien twee vervolgvragen voor. Allereerst is dit de vraag in hoeverre zich in de periode tussen het moment van genieten door de STAK en het moment van dooruitkeren aan de certificaathouder een wijziging in de fiscale aard van het gecertificeerde vermogen voordoet. Om een voorbeeld te geven: de STAK heeft aanmerkelijkbelangaandelen en verkoopt deze. De verkoopopbrengst wordt niet direct uitgekeerd aan de certificaathouder, maar liquide aangehouden. In handen van de certificaathouder zouden deze liquide middelen in box 3 vallen. Valt het certificaat, althans voor zover het op de liquide middelen ziet, nu ook in box 3, of blijft het vooralsnog box 2-vermogen4, omdat zich bij de certificaathouder nog geen realisatie van de box 2-claim heeft voorgedaan? Daarnaast de vraag op welke wijze de belastingheffing bij de certificaathouder in deze tussenperiode plaatsvindt. Zo is een benadering dat het vermogen box 2-vermogen blijft, met als consequentie dat het tot het moment van uitkering buiten de belastingheffing zou blijven, of dat het wel naar box 3 gaat, waarmee zich de vraag voordoet of dan bij latere uitkering nog in box 2 geheven kan worden over de verkoopwinst. Zo zijn meerdere verschillende benaderingen denkbaar, zonder dat duidelijk is welke de juiste is (zie nader paragraaf 15.3.2).
Hoewel deze problematiek in de praktijk vermijdbaar is door ofwel zodanige administratievoorwaarden op te stellen dat de certificaathouder wel de economische eigendom van het gecertificeerde vermogen heeft, ofwel er zorg voor te dragen dat inkomsten in hetzelfde jaar door de STAK worden uitgekeerd, zullen deze oplossingen niet altijd haalbaar of wenselijk zijn (met name de directe dooruitkering kan op bezwaren stuiten). Ook is waarschijnlijk dat de uitvoering in bepaalde situaties eenvoudigweg niet goed zal gaan. Mijns inziens is door deze onduidelijkheid derhalve weldegelijk sprake van een knelpunt. Men kan dit knelpunt zien als zijnde veroorzaakt door een leemte in de wetgeving5, omdat artikelen 4.43 en 4.46 Wet IB 2001 weliswaar het genietingsmoment voor reguliere voordelen respectievelijk vervreemdingsvoordelen regelen, maar niet voorzien in de situatie waarin de belastingplichtige een economisch belang heeft bij een door een ander, de STAK, gerealiseerde winst, zonder dat zich voor de belastingplichtige een genietingsmoment voordoet.
Het zou daarom goed zijn indien duidelijkheid gecreëerd werd over de wijze waarop deze vragen beantwoord dienen te worden. In de paragraaf hierna schets ik de wijze waarop een en ander naar mijn mening benaderd zou kunnen worden.