Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.3.3
15.3.3 Algemene toerekening aan en verhaalsrecht voor de certificaathouder
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232735:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In dit verband zij erop gewezen dat artikel 2.15 Wet IB 2001, inzake de toerekening van inkomensbestanddelen en rendementsgrondslag van minderjarige kinderen aan hun ouders, ook betrekking heeft op de geheven dividendbelasting. In geval van certificering is het niet noodzakelijk om in het laatste te voorzien, aangezien 1 lid 1 Wet DB de certificaathouder reeds aanmerkt als opbrengstgerechtigde tot het dividend en daarmee degene ten laste van wie de dividendbelasting wordt ingehouden.
Deze volzin stelt buiten twijfel dat het belastbare inkomen bepaald moet worden, alsof geen sprake is van certificering. De eerste volzin bepaalt immers wel het genietingsmoment, maar laat nog in het midden of dan ook het inkomen belast wordt zoals de STAK dat geniet (of realiseert), of dat nog rekening gehouden moet worden met een waardedrukkend effect van de certificering. Een logisch complement van het aansluiten bij het genietingsmoment van de STAK is mijns inziens om ook voor het bepalen van de omvang van het belastbare inkomen de positie van de STAK tot uitgangspunt te nemen. Dit volgt echter nog niet noodzakelijkerwijs uit de eerste volzin, zodat het mij goed lijkt om dit te expliciteren. Het effect van deze benadering uit zich bij vermogenswinsten, maar ook bij het forfaitair rendement in box 2 en box 3. Dat kan betekenen dat de belastingplichtige (iets) meer belasting betaalt. Ik ga verderop in deze paragraaf nader op dit punt in.
Voor andere vormen van belastbaar inkomen is het niet noodzakelijk om een vergelijkbare regeling te treffen. Bij box 3 speelt kostenaftrek überhaupt niet en in geval van inkomen uit werk en woning zit de negatieve component (voor zover daar rekening mee gehouden wordt) reeds begrepen in het belastbare inkomen zelf, zodat separate aftrek van kosten ook niet aan de orde is. Een uitzondering zijn de aftrekbare kosten voor inkomensvoorzieningen, maar in dat verband lijkt certificering mij geen rol te kunnen spelen.
Dit lid dient om zeker te stellen dat de belastingplichtige niet alleen het belastbare inkomen toegerekend krijgt, maar dat hij dan ook de ter zake geldende vrijstelling kan toepassen. Dit impliceert een verruiming van het tot dusver door de staatssecretaris voorgestane beleid, aangezien hij de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap van artikel 5.8 Wet IB 2001 bijvoorbeeld niet van toepassing acht (zie paragraaf 13.4.3.1). Toepassing van deze vrijstelling lijkt mij evenwel niet onredelijk, zeker niet indien bij de certificaathouder box 3-vermogen naar de volle waarde, dus in voorkomend geval zonder rekening te houden met een waardedrukkend effect van de certificering, in aanmerking genomen wordt. Dit laatste is althans het gevolg van de voorgestelde regeling zoals door mij geformuleerd, zie hiervoor paragraaf 15.4.
Omdat wordt aangeknoopt bij het bedrag aan betaalde belasting, hoeft in deze bepaling niet voorzien te worden in een bepaling die rekening houdt met aftrekbare kosten ter zake van reguliere voordelen. Voor zover deze kosten in aanmerking zijn genomen, verminderen zij het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en daarmee de te betalen belasting, zodat deze component automatisch wordt meegenomen bij de bepaling van de omvang van het verhaalsrecht.
Zie nader paragraaf 13.4.3.2.
Ook andere vormen van (niet forfaitair bepaald) belastbare inkomen in box 1 kunnen gebaseerd zijn op vermogenswinsten. Dergelijke vormen van inkomen kan de certificaathouder mijns inziens echter slechts realiseren, indien hij de economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen is (zie paragraaf 13.4.2.4) en in dat geval doet het verschil in waarde zich niet voor.
Zie hiervoor paragrafen 15.3.1 en 15.3.2 en in meer detail paragraaf 13.4.1.5.1.
Afhankelijk van welke benadering uiteindelijk toegepast zou blijken te moeten worden. Het lijkt mij evenwel niet voor de hand liggend dat de Hoge Raad zou kiezen voor een benadering waarbij de vermogenswinst als zodanig geheel niet belast wordt.
Zie paragraaf 13.2.2.2.
Denkbaar is dat een Nederlandse stichting kan fungeren als een APV, zie paragraaf 8.2.2. De stichting als familiestichting, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Curaçaose SPF, kent het Nederlandse recht evenwel niet. Daarnaast is de Anglo-Amerikaanse trust, die een van de voornaamste figuren is waarvoor de APV-regeling is ingevoerd, geheel wezensvreemd aan het Nederlandse rechtssysteem.
Men zou overigens aanleiding kunnen zien om een verhaalsrecht als beschreven in de vorige paragraaf voor de certificaathouder algemener op te nemen, aangezien het probleem van het financieren van de belasting zich in meer situaties kan voordoen, dan waar de onderhavige paragraaf op ziet. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in een geval van certificaten van box 3-vermogen, ter zake waarvan de certificaathouder inkomstenbelasting verschuldigd is, terwijl hij nooit een uitkering ontvangt. Ook denkbaar, maar vermoedelijk aanzienlijk minder vaak voorkomend, is de situatie waarin een certificaathouder economisch eigenaar is van box 1-vermogen en ter zake daarvan belaste inkomsten realiseert, terwijl die opgepot worden door de STAK.
De voorgaande regeling dekt deze situaties niet, gezien het toegeschreven zijn op bepaalde inkomsten. Dan ligt een algemene regeling van toerekening van inkomsten aan de certificaathouder in combinatie met een verhaalsrecht voor de hand, waarmee ook alle situaties bestreken worden waarin dat verhaalsrecht niet nodig is. Het voordeel hiervan is dat één duidelijke lijn in de behandeling van certificaten wordt getrokken. Logisch is dan om ook algemeen te bepalen dat inkomsten uit gecertificeerd vermogen steeds bij de certificaathouder in aanmerking worden genomen, op het moment dat zich bij de STAK een genietingsmoment, etc., voordoet. Als toerekening aan de certificaathouder en een daarbij horend verhaalsrecht algemeen geregeld worden, in plaats van voor enkele specifieke bepalingen, dan lijkt het mij passend om in hoofdstuk 2 van de Wet IB 2001, bijvoorbeeld na artikel 2.16 Wet IB 2001. De tekst van deze bepalingen kan dan overeenkomstig de door mij in paragraaf 15.3.2 gesuggereerde bepalingen geformuleerd worden:
Genietingsmoment inkomsten in geval van certificering1
Artikel 2.16a
Indien de belastingplichtige vermogensbestanddelen houdt via een derde die tegenover deze vermogensbestanddelen certificaten of vergelijkbare rechten heeft uitgegeven aan de belastingplichtige (het administratiekantoor), dan worden de bij belastingplichtige inkomen uit werk en woning, inkomen uit aanmerkelijk belang of inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen op het moment dat zich ten aanzien van het administratiekantoor één of meer van de volgende gebeurtenissen voordoet:
het realiseren van winst als bedoeld in artikel 3.25;
het realiseren van resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.94;
het genieten van inkomen in de zin van artikel 3.146;
het vervreemden van tot een aanmerkelijk belang behorende rechten als bedoeld in artikel 4.43;
het genieten van reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.46; of
het genieten van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.1.
De omvang van het in aanmerking te nemen belastbare inkomen wordt bepaald alsof de belastingplichtige rechtstreeks rechthebbende op de in de eerste volzin genoemde vermogensbestanddelen is, op het moment dat de in deze volzin bedoelde gebeurtenissen zich voordoen.2
Voor zover bij de belastingplichtige belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen wordt op grond van het eerste lid, terwijl het administratiekantoor in verband met dit inkomen kosten heeft gemaakt welke aftrekbaar zijn in de zin van artikel 4.44, dan worden deze kosten eveneens bij de belastingplichtige als aftrekbare kosten in aanmerking genomen.3
Bij het bepalen van het bij de belastingplichtige op grond van het eerste lid in aanmerking te nemen belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden de vrijstellingen van de artikelen 5.7, 5.8, 5.10 en 5.12 toegepast alsof de belastingplichtige rechtstreeks rechthebbende is van de vermogensbestanddelen waar de desbetreffende vrijstelling betrekking op heeft en in verband waarmee inkomen uit sparen en beleggen bij de belastingplichtige in aanmerking genomen wordt.4
Indien bij de belastingplichtige belastbaar inkomen in aanmerking genomen wordt op grond van het eerste lid, dan heeft de belastingplichtige verhaal op het administratiekantoor voor het bedrag van de in verband met dit belastbare inkomen verschuldigde inkomstenbelasting, voor zover deze belasting is voldaan.5 Het verhaalsrecht ontstaat niet ter zake van het bij de belastingplichtige in de heffing betrokken belastbare inkomen voor zover het administratiekantoor van dit belastbare inkomen een bedrag ter grootte van ten minste de ter zake van dit belastbare inkomen verschuldigde belasting heeft uitgekeerd aan de belastingplichtige in het jaar waarop deze belastingheffing betrekking heeft. [Eventuele toevoeging: Het administratiekantoor kan de met dit verhaalsrecht corresponderende verplichting naar keuze voldoen uit de desbetreffende vermogensbestanddelen, dan wel het hieruit voortvloeiende belastbare inkomen, tenzij anders tussen de belastingplichtige en het administratiekantoor overeengekomen.]
Ik kies hier voor een alles omvattende regeling, die ook de situaties dekt waarin mijns inzien geen regeling nodig is, omdat de certificaathouder de economische eigendom van het gecertificeerde vermogen heeft of omdat reeds uit de wet volgt dat belastingheffing bij de certificaathouder plaatsvindt in het jaar waarin de STAK de inkomsten in kwestie ontvangt.
In dit verband zij gewezen op de afwijkende systematiek bij box 3 (en het forfaitair rendement bij laagbelaste beleggingsvennootschappen in box 2), als gevolg van de forfaitaire heffing en het aanknopen daarvan bij 1 januari van ieder jaar als peildatum. Dit betreft één van de situaties waarin de certificaathouder als gevolg van de wet in hetzelfde jaar in de heffing betrokken zou worden, als wanneer hij dezelfde (forfaitaire) inkomsten direct genoten zou hebben uit rechtstreeks door hem gehouden goederen. De certificering kan in dit geval hoogstens van invloed zijn op de waardering, althans indien de certificaathouder geen economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen is.6 Deze afwijking in de systematiek noopt naar mijn mening evenwel niet tot een wezenlijk andere formulering. Wel kan gezegd worden dat dit deel van de bepaling in feite een dode letter is, aangezien de belastingplichtige hoe dan ook in de heffing betrokken zou zijn ter zake van inkomen uit sparen en beleggen. Dat de regeling in bepaalde mate overbodig is, althans voor wat betreft het in aanmerking nemen van belastbaar inkomen, is mijns inziens echter te rechtvaardigen vanuit de gedachte dat één algemene regeling voor certificering wordt getroffen. Daarnaast kan zo voor iedere vorm van belastbaar inkomen dezelfde aansluiting gemaakt worden met het verhaalsrecht, dat wél van betekenis is, ook al vindt belastingheffing bij de certificaathouder ook al zonder toerekening van belastbaar inkomen plaats. Het verhaalsrecht biedt hem in dat geval bescherming tegen financieel nadeel, in geval de STAK geen inkomsten dooruitkeert.
Een aandachtspunt in dit verband is wel dat, indien men aansluit bij het inkomen zoals genoten door de STAK, een eventueel waardedrukkend effect vervalt. Het voorgaande tekstvoorstel is zo geformuleerd dat het inkomen van de STAK per definitie (dat wil zeggen ongeacht of de certificaathouder economisch eigenaar is) bepalend is voor het belastbare inkomen van de certificaathouder, met andere woorden dat gekeken wordt naar het gecertificeerde vermogen en niet naar het certificaat. Dit “voordeel” van certificaten die geen economische eigendom verschaffen vervalt.
Het voorgaande speelt in geval van de volgende soorten belastbaar inkomen:
Vermogenswinsten in het algemeen, aangezien de waarde in het economische verkeer bepalend is voor de omvang van deze winst. Bij inkomen dat de vorm heeft van inkomsten, zoals bijvoorbeeld dividenden, speelt dit punt gezien de aard (van bepaling) van die inkomsten uiteraard niet. Het verschil in waarde tussen certificaten en gecertificeerd vermogen is relevant in geval van vermogenswinsten op aanmerkelijkbelangaandelen en ter zake van ter beschikking gesteld vermogen, indien de certificaathouder geen economisch eigenaar is.7
Dit ligt anders bij het forfaitaire rendement in box 2 en box 3, omdat daar de waarde in het economische verkeer de basis van de heffing vormt.
De hogere waardering bij de certificaathouder en de daarmee samenhangende hogere verschuldigde belasting kan een reden zijn om deze vormen van inkomen toch uit te zonderen van de toerekeningsregel, maar niet van het verhaalsrecht. Met name voor forfaitair rendement zou een uitzondering denkbaar zijn, omdat de systematiek van de Wet IB 2001 op dit punt toch al afwijkt van de algemene wijze van bepaling van belastbaar inkomen. Bij vermogenswinsten ter zake van aanmerkelijkbelangaandelen of ter beschikking gesteld vermogen is het (thans) bovendien niet zozeer de omvang van de vermogenswinst die ter discussie staat als wel het moment waarop deze winst in aanmerking genomen wordt en hoe de heffing in de tussentijd verloopt.8 Zodra onder de huidige regeling de STAK de vermogenswinst dooruitkeert, wordt deze in beginsel alsnog in haar volle omvang belast.9
De systematiek wordt echter minder eenvoudig van een dergelijke uitzondering. In feite werkt de regeling zo zelfs vereenvoudigend uit: discussies met de belastingdienst over het waardedrukkend effect van certificering behoren daarmee tot het verleden, hetgeen men als een voordeel zou kunnen zien. De vraag is ook hoe groot het verschil is in de in aanmerking te nemen waarde. Bij box 3 is dit verschil mogelijk beperkt, omdat het bij box 3-vermogen in veel gevallen zal gaan om vermogensbestanddelen die in het vermogen van de belastingplichtige een belegging vormen. Beperkende voorwaarden, zoals het ontbreken van zeggenschap, zijn dan van minder grote invloed op de waardering van het vermogensbestanddeel als zodanig, zodat de waarde in het economische verkeer hiervan relatief dicht bij de waarde in het economische verkeer van het certificaat zal liggen, zoals beschreven in paragraaf 13.4.3.2. Dit ligt evenwel anders bij het forfaitair rendement in box 2, afhankelijk van de omvang van het aandelenpakket. Naarmate het aandelenpakker groter is, neemt de invloed van zeggenschap op de waarde hiervan toe, zeker indien sprake is van een meerderheidspakket aandelen.10 In dit geval zal zich een groter verschil in waarde tussen de certificaten en de gecertificeerde aandelen voordoen.
De afweging is mijns inziens derhalve tussen enerzijds een eenvoudiger en naar mijn mening consistenter systeem en anderzijds het voorkomen van een wijze van bepalen van het belastbare inkomen, dat mogelijk tot een (enigszins) hogere belastingheffing voor de certificaathouder kan leiden. Daarbij zij aangetekend dat uiteraard géén sprake is van een hogere belastingheffing ten opzichte van de situatie waarin de certificering geheel niet had plaatsgevonden. In dat geval zou de omvang van een eventuele vermogenswinst ook zijn gebaseerd op de waarde in het economische verkeer van de aandelen c.q. het ter beschikking gestelde vermogen.
Dit laatste vind ik een belangrijk argument om de eenvoud van het systeem in dit geval zwaarder te laten wegen. Mijn beoordeling of sprake is van een knelpunt, gaat uit van de vraag of de insteller, dan wel diens rechtsopvolgers, door het gebruik van een beschermingsconstructie in een slechtere positie zouden komen, zonder dat er voor deze slechtere positie een rechtvaardiging bestaat. Primair uit deze slechtere positie zich in de omvang van de te betalen belasting, maar onzekerheid over de wijze waarop belasting geheven wordt/hoeveel verschuldigd is en de complexiteit van het systeem kunnen naar mijn mening ook knelpunten zijn.
De door mij voorgestane benadering lost voor de certificaathouder het knelpunt van onduidelijkheid op. Daarbij streef ik naar een zo eenvoudig mogelijk systeem, hetgeen het beperken van uitzonderingen impliceert. Voorts brengt mijn systematiek een aanvullende bescherming voor de certificaathouder op een ander vlak met zich, in de vorm van het verhaalsrecht op de STAK. Daar staat tegenover dat zich weliswaar onder omstandigheden een (iets) hogere heffing kan voordoen bij de certificaathouder, maar in vergelijking met het niet toepassen van de certificering is dat niet het geval. Er wordt door mijn benadering derhalve geen nieuw knelpunt geïntroduceerd. Ik kies daarom voor de benadering waarbij voor de bepaling van het belastbare inkomen niet alleen wordt aangesloten bij het genietingsmoment van de STAK, maar ook bij de omvang van de door haar genoten inkomsten.
De omstandigheid dat voor het genietingsmoment van de certificaathouder wordt aangesloten bij dat van de STAK, betekent overigens nog niet dat de certificaathouder in geen geval zelfstandig, dat wil zeggen zonder dat de STAK een genietingsmoment heeft, belastbaar inkomen kan genieten. Dit doet zich voor indien de certificaathouder zijn certificaten vervreemdt en dat als zodanig een belastbaar feit vormt, te weten bij certificaten van aanmerkelijkbelangaandelen en certificaten van box 1-vermogen. De STAK heeft op dat moment geen inkomsten; op het moment dat dit gebeurt, zullen deze in aanmerking genomen worden bij de nieuwe certificaathouder. In deze situatie kan sprake zijn van een verschil in de waarde in het economische verkeer tussen de certificaten en het gecertificeerde vermogen in geval aanmerkelijkbelangaandelen of ter beschikking gesteld vermogen gecertificeerd is en de certificaathouder hiervan geen economisch eigenaar is. Ik zie geen reden om in dit geval geen rekening te houden met een dergelijk waardeverschil; bij verkoop komt dit ook tot uitdrukking in de daadwerkelijk gerealiseerde verkoopwinst, aangezien de koper slechts bereid zal zijn om de lagere waarde van de certificaten te betalen. Een overdrachtsprijs ontbreekt uiteraard in geval van schenking of vererving van de aandelen. Aangezien het (fictief) overgedragen vermogensbestanddeel nog steeds het certificaat betreft, is dat ook in dit geval hetgeen waarvan de waarde in het economische verkeer bepaald dient te worden, als fictieve overdrachtsprijs.
Ter afsluiting merk ik op dat ik mij realiseer dat de invoering van een dergelijke regeling een fundamentele keuze van de wetgever impliceert. Hiermee wordt certificering, die civielrechtelijk niet geregeld is, ingebed in het fiscale systeem. Ook in dit geval bestaan daartegen naar mijn mening geen fundamentele bezwaren, mede aangezien de situatie, dat in de fiscale wetgeving een regeling is getroffen voor een civielrechtelijke figuur, niet onbekend is. Zo is het APV, althans de meeste vormen waarin dit zich voordoet,11 niet in de Nederlandse wet geregeld. Desalniettemin is in artikel 2.14a Wet IB 2001 een regeling getroffen voor de fiscale behandeling van APV’s. Een verschil met de regeling voor certificering die ik voorstel is dat de APV-regeling een anti-misbruikregeling is, terwijl de regeling voor certificering bedoeld is om de certificaathouder te faciliteren door het scheppen van duidelijkheid over de fiscale behandeling. Dit verschil lijkt mij evenwel niet zodanig essentieel dat dit er aan in de weg zou moeten staan om een regeling te treffen voor certificering, waar dit voor APV’s wel mogelijk is geacht. De wens om een bepaalde rechtsfiguur fiscaal in goede banen te leiden, ook al is deze civielrechtelijk niet geregeld, lijkt mij in het algemeen reden voor het treffen van een regeling. Met de steeds verder voortschrijdende internationalisering is de kans dat ons civiele recht een bepaalde figuur niet kent, maar dat toch de behoefte bestaat om de fiscale behandeling daarvan te regelen, steeds groter. De omstandigheid dat een rechtsfiguur wel voortgekomen is uit het Nederlandse recht, zoals certificering, is voor mij geen reden om daar een andere benadering te kiezen.