Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.3.2
15.3.2 Belastingheffing bij en verhaalsrecht voor de certificaathouder
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232917:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld het wettelijk pandrecht van artikel 3:259 BW, alsmede rechten voor certificaathouder van aandelen, zoals de mogelijkheid van vergaderrecht bij de besloten vennootschap (artikel 2:227 lid 2 BW) en het enquêterecht (artikel 2:346 BW).
Deze volzin stelt buiten twijfel dat het belastbare inkomen bepaald moet worden, alsof geen sprake is van certificering. De eerste volzin bepaalt immers wel het realisatiemoment, maar laat nog in het midden of dan ook het inkomen belast wordt zoals de STAK dat realiseert, of dat nog rekening gehouden moet worden met een waardedrukkend effect van de certificering. Een logisch complement van het aansluiten bij het realisatiemoment van de STAK is mijns inziens om ook voor het bepalen van de omvang van het belastbare inkomen de positie van de STAK tot uitgangspunt te nemen. Dit volgt echter nog niet noodzakelijkerwijs uit de eerste volzin, zodat het mij goed lijkt om dit te expliciteren. Het effect van deze benadering kan zich uiten bij vermogenswinsten: indien de certificaathouder geen economische eigenaar is, is heeft het certificaat een lagere waarde in het economische verkeer dan het gecertificeerde vermogen. Dat kan betekenen dat de belastingplichtige (iets) meer belasting betaalt. Ik ga in paragraaf 15.3.3 nader op dit punt in.
De laatste volzin is bedoeld om een dubbeltelling te voorkomen (evenzo bij de aanvullende bepalingen voor de terbeschikkingstellingsregeling). Indien de certificaathouder reeds zelf al geacht wordt om het resultaat gerealiseerd te hebben, zou het nogmaals in aanmerking nemen van dit resultaat als zijnde gerealiseerd door de STAK tot dubbele heffing leiden. Aangezien in de door mij voorgestelde formulering om redenen van eenvoud geen onderscheid is gemaakt tussen de certificaathouder met en die zonder economische eigendom, is een dergelijke dubbeltelling ook mogelijk.
De certificaathouder, die de economische eigenaar van de gecertificeerde aandelen is, is mijns inziens (in fiscale zin) direct aandeelhouder van de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen. Indien geen sprake is economische eigendom is overigens naar mijn mening nog steeds sprake van een direct gehouden aanmerkelijk belang, maar niet van onmiddellijk aandeelhouderschap. Het economische belang is niet groot genoeg, om als aandeelhouder gezien te worden, maar de gerechtigdheid die met het aandeel gelijk gesteld wordt op grond van artikel 4.3 Wet IB 2001 wordt wel direct gehouden. Zie hiervoor nader paragraaf 13.4.1.1. Een verwijzing naar een indirect aanmerkelijk belang is derhalve overbodig, waar dit in de context van de terbeschikkingstellingsregeling wel betekenis heeft. In geval van een indirect aanmerkelijk belang zullen de voordelen daaruit overigens ook niet rechtstreeks belastbaar inkomen van de aanmerkelijkbelanghouder kunnen vormen.
In dit geval is een bepaling, die zeker stelt dat de omvang van het reguliere voordeel wordt bepaald aan de hand van hetgeen de STAK geniet mijns inziens niet noodzakelijk. De certificering is niet van invloed om de omvang van een regulier voordeel, omdat een eventueel verschil in waardering tussen het certificaat en het gecertificeerde aandeel daarin niet tot uitdrukking komt, zoals dat bij vervreemdingsvoordelen wel het geval is.
Aangezien reguliere voordelen geen nettobegrip is, maar de kosten apart op grond van artikel 4.44 Wet IB 2001 als aftrekbaar worden aangemerkt, dient bij de reguliere voordelen ook met kosten rekening gehouden te worden. Bij vervreemdingsvoordelen en resultaat uit overige werkzaamheden is dit niet noodzakelijk, omdat in die gevallen bij het bepalen van de omvang van de vervreemdingswinst c.q. het resultaat reeds rekening is gehouden met kosten.
Deze laatste toevoeging is grotendeels ten overvloede, maar kan illustreren dat de STAK een bevoegdheid heeft om haar verplichting in relatie tot het verhaalsrecht zowel uit het gecertificeerde vermogen of de inkomsten daaruit te voldoen. Om partijen niet te zeer te beperken, is daaraan toegevoegd dat (uiteraard) anders overeengekomen kan worden. Volledigheidshalve merk ik op dat de formulering zoals gebezigd de STAK niet zou toestaan om de certificaathouder de belasting te vergoeden uit ander gecertificeerd vermogen of inkomsten daaruit. Indien bijvoorbeeld sprake is van gecertificeerde aanmerkelijkbelangaandelen en een gecertificeerde bankrekening in dezelfde STAK en er is inkomstenbelasting verschuldigd ter zake van forfaitair rendement in box 2 (zoals bedoeld in artikel 4.13 lid 1 sub a jo. 4.14 Wet IB 2001), terwijl niet daadwerkelijk dividend wordt uitgekeerd, dan zou de STAK niet de bankrekening kunnen aanspreken, tenzij anders wordt overeengekomen met de certificaathouder. Dit kan uiteraard slechts tot beperkingen leiden voor zover de STAK niet zelf daadwerkelijk inkomen ontvangt.
Een vraagpunt daarbij is nog hoe men de ter zake van de inkomsten verschuldigde belasting dient te berekenen indien deze inkomsten progressief belast zijn en voorts sprake is van ander inkomen in dezelfde box, oftewel in geval van resultaat uit overige werkzaamheden. Mogelijkheden zijn heffing aan de voet, tegen het gemiddelde tarief of aan de top. Mijns inziens dient uitgegaan te worden van de heffing aan de top: dit is het bedrag dat de certificaathouder meer verschuldigd is als gevolg van heffing over het gecertificeerde vermogen, dus het lijkt mij redelijk om dat dan ook als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de omvang van het verhaalsrecht.
In paragraaf 13.4.1.5.1 heb ik een aantal mogelijke benaderingen weergegeven, wijzen waarop de heffing zou kunnen verlopen indien de certificaathouder geen economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen is en de STAK de door haar ontvangen inkomsten niet direct, althans in hetzelfde kalenderjaar, uitkeert aan de certificaathouder. Samengevat zijn dit de volgende benaderingen, met de aan iedere benadering klevende bezwaren:
De certificaathouder wordt toch belast op het moment dat de STAK realiseert, vervreemdt of haar genietingsmoment heeft. In elk geval in het kader van de aanmerkelijkbelangregeling biedt de wet naar mijn mening echter geen ruimte voor deze benadering.
Tot het moment van uitkering aan de certificaathouder, worden de inkomsten in box 3 belast (aannemend dat deze niet zijn omgezet in vermogen dat in een andere box valt). Op het moment van uitkering worden de inkomsten alsnog in box 1 of 2 belast. Bezwaar tegen deze benadering is dat de volgtijdelijkheid van de heffing afwijkt van de gebruikelijke situatie: gerealiseerde inkomsten passeren eerst de poort van heffing in box 1 of 2 en worden vervolgens belast in de box waar zij dan thuishoren. Bij deze benadering wordt de volgorde evenwel omgekeerd.
Men neemt aan dat de inkomsten hun box 1 of box 2-karakter behouden tot het moment van uitkering. Dan vindt heffing in de desbetreffende box plaats en gaan de inkomsten naar box 3. Deze benadering leidt evenwel tot een heffingslek, omdat er in de periode tot uitkering niet geheven wordt, hoogstens over de rendementen die met de nog opgepotte inkomsten behaald worden.
Er vindt geen box 2-heffing plaats, aangezien (i) op het moment dat de STAK aanmerkelijkbelangaandelen vervreemdt de certificaathouder dat niet doet en (ii) op het moment dat de uitkering plaatsvindt, geen sprake meer is van een vervreemding. Gezien de ruimere formulering ter zake lijkt deze benadering mij overigens minder goed toepasbaar in geval van de terbeschikkingstellingsregeling of bij reguliere voordelen. In dit geval gaan de inkomsten direct naar box 3, zonder belastingheffing. In dit geval is uiteraard ook het bezwaar dat een heffingslek optreedt.
De inkomsten behouden zelf hun box 1/box 2-karakter, maar de rendementen daaruit worden belast in box 3. Het probleem met volgtijdelijkheid zoals bij (b) speelt dat niet, maar er is wel weer sprake van een heffingslek, doordat het nominale bedrag van de inkomsten tot het moment van uitkering buiten de heffing blijft.
Aangezien alle genoemde benaderingen op één of meerdere bezwaren stuiten, dient een sluitende oplossing naar mijn mening anders te luiden. Een systeem waarbij de heffing bij de certificaathouder wordt uitgesteld tot het moment dat die geniet, terwijl tegelijkertijd het vermogen wel in de relevante box in aanmerking genomen wordt, leidt mijns inziens tot een moeilijk werkbare hybride vorm van heffing. Het uitstel in zichzelf is niet onredelijk, maar men heeft dan een tussentijdse vorm van heffing nodig, om een heffingslek te voorkomen. Anders wordt het wel heel eenvoudig om inkomstenbelasting te ontwijken. Qua volgtijdelijkheid is dit evenwel problematisch en het roept ook andere vragen op, bijvoorbeeld of bij de tussentijdse heffing rekening gehouden wordt met de latente belastingschuld in box 2 of niet. Indien men – zonder certificering – aanmerkelijkbelangaandelen zou verkopen, zou het ook de opbrengst na belastingheffing zijn die vervolgens deel gaat uitmaken van het box 3-vermogen. In die parallel is aftrek van de latente belastingschuld, al dan niet contant gemaakt tegen een voorgeschreven percentage, niet onredelijk. Anderzijds is de facto natuurlijk niet betaald, zodat met het desbetreffende vermogen rendement gegenereerd kan worden. Dat kan zich echter oplossen in de contantmaking. Hoe dan ook wordt een dergelijk systeem complex en in de volgtijdelijkheid van de heffing kan men een fundamenteel probleem zien, gezien de afwijking van het gebruikelijke systeem. In elk geval het eerste is in mijn ogen een zwaar wegend bezwaar.
Een alternatief is regelen dat een certificaathouder per definitie geacht wordt te genieten op het moment dat de STAK dat doet. Met andere woorden: men rekent het realisatie-, vervreemdings- of genietingsmoment van de STAK toe aan de certificaathouder, ongeacht of hij economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen is of niet. Waar er bij de terbeschikkingstellingsregeling enige ruimte is om deze benadering in de wettekst te lezen, is deze ruimte er mijns inziens bij de aanmerkelijkbelangregeling niet. Bovendien bestaat ook bij de terbeschikkingstellingsregeling niet meer dan deze ruimte voor argumentatie van de desbetreffende strekking, en duidelijkheid lijkt mij zeer gewenst. Voor beide regelingen zou dit derhalve geregeld moeten worden, hetgeen een wijziging van de wet vereist.
Hoewel deze benadering het voordeel heeft van eenvoud, is er ook een duidelijk bezwaar: indien bij de certificaathouder belastbare inkomsten in aanmerking worden genomen terwijl hij nog geen uitkering van de STAK ontvangt, moet hij belasting betalen zonder de beschikking te hebben gekregen over de daarvoor benodigde liquiditeiten. Los van het algemene bezwaar daartegen, kan dit de certificaathouder in financiële problemen brengen, zeker indien het gecertificeerde vermogen qua omvang relatief groot is in vergelijking met het eigen vermogen van de certificaathouder, of dit eigen vermogen zelfs (ver) overstijgt. Men zou, zoals reeds opgemerkt, kunnen vertrouwen op degene die certificeert om hiervoor in de administratievoorwaarden een regeling te treffen. Aangezien goed denkbaar is dat een dergelijke regeling – al dan niet bewust – achterwege gelaten wordt, lijkt mij dit echter een weinig bevredigende oplossing.
De certificaathouder wordt beter beschermd door de STAK te verplichten om op enige wijze de verschuldigde inkomstenbelasting voor de certificaathouder te betalen, dan wel een bedrag van deze grootte aan hem te vergoeden. Tegen deze benadering zijn twee bezwaren aan te voeren: (i) het treedt in de contractsvrijheid tussen partijen en (ii) een dergelijke verplichting hoort thuis in het civiele recht en niet in het fiscale recht. Met betrekking tot het laatste merk ik voorts op dat, aangezien certificering niet wettelijk geregeld is, er ook geen “natuurlijke” plek in het civiele recht is om een dergelijke verplichting voor de STAK op te nemen.
Desalniettemin lijken dergelijke bezwaren mij niet onoverkomelijk. In het algemeen treedt de wetgever met regelmaat in de contractsvrijheid tussen partijen, ter bescherming van de zwakste van hen. Ook het bieden van bescherming van de certificaathouder is, hoewel geen algemene regeling voor certificering bestaat, niet vreemd aan het systeem.1 Een bijzonderheid in dit geval is eerder dat de bescherming van de certificaathouder zich mede op het fiscale vlak begeeft. Ook dergelijke regelingen, die de persoon die al wel belasting moet betalen, maar nog niet beschikt over het vermogen om deze uit te voldoen, komen evenwel vaker voor, zie bijvoorbeeld de verplichting geregeld in artikel 78 lid 1 SW voor de vruchtgebruiker om belasting voor de bloot eigenaar voor te schieten. De omstandigheid dat de wetgever met een dergelijke regeling in de relatie tussen partijen treedt, is in mijn ogen derhalve een onvoldoende zwaarwegend bezwaar.
Het tweede bezwaar is dat dit een meer civielrechtelijke regeling dan een fiscale is. Getuige artikel 78 SW is dit echter niet volledige vreemd aan het systeem. Voorts zij gewezen op de toerekening van bepaalde vormen van inkomen van minderjarige kinderen aan hun ouders op grond van artikel 2.15 Wet IB 2001 en het verhaalsrecht dat de ouders in verband daarmee krijgen, zoals geregeld in artikel 2.16 Wet IB 2001, althans indien zij niet het ouderlijk vruchtgenot van het vermogen in kwestie hebben. Dergelijke regelingen zijn derhalve niet vreemd aan het systeem, zodat er mijns inziens ook in dat opzicht geen bezwaar tegen is om een regeling ten gunste van de certificaathouder te treffen.
Daarbij ligt een regeling zoals die van artikel 78 SW, vertaald naar de situatie van de certificaathouder het voorschieten van de belasting door de STAK (te verrekenen met een latere uitkering) of het betalen hiervan uit het gecertificeerde vermogen c.q. de vruchten daarvan, mij meer voor de hand te liggen dan een verhaalsrecht zoals geregeld in artikel 2.16 Wet IB 2001. Het verhaalsrecht veronderstelt dat primair de STAK de belasting verschuldigd is en dat deze zich daarna kan verhalen op de certificaathouder, als de persoon ten laste van wie de belasting uiteindelijk behoort te komen. Dat impliceert evenwel dat de STAK zelfstandig belastingplichtig zou moeten zijn en een rechtspersoon als belastingplichtige voor de inkomstenbelasting past niet in de wetssystematiek. Een parallel met de situaties die ten grondslag liggen aan artikel 78 SW, te weten een rechthebbende die belasting verschuldigd is ter zake van vermogen waar hij (nog) niet over kan beschikken en een persoon die controle heeft over het vermogen en daaruit de belasting kan voorschieten of voldoen, is daarentegen goed te maken. De omstandigheid dat de STAK, in tegenstelling tot een vruchtgebruiker, zelf geen economisch belang heeft bij het desbetreffende vermogen doet daar naar mijn mening niet aan af.
De vraag is ten slotte waar in de wet een dergelijke regeling op te nemen. Voor wat betreft het genietingsmoment ter zake van de terbeschikkingstellingsregeling zou een extra lid opgenomen kunnen worden in artikel 3.95 Wet IB 2001, van bijvoorbeeld de volgende strekking:
Indien de belastingplichtige vermogensbestanddelen indirect ter beschikking stelt als bedoeld in artikel 3.91 of artikel 3.92 via een derde die tegenover deze vermogensbestanddelen certificaten of vergelijkbare rechten heeft uitgegeven aan de belastingplichtige (het administratiekantoor), dan wordt de belastingplichtige geacht resultaat uit overige werkzaamheden te realiseren op het moment dat het administratiekantoor dit resultaat realiseert op de wijze als geregeld in het eerste lid. De omvang van het in aanmerking te nemen belastbare inkomen wordt bepaald alsof de belastingplichtige rechtstreeks rechthebbende op de in de eerste volzin genoemde vermogensbestanddelen is, op het moment dat de in deze volzin bedoelde gebeurtenissen zich voordoen.2 De eerste volzin is niet van toepassing voor zover het desbetreffende resultaat reeds bij de belastingplichtige zelf als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking is gekomen.3
Voor de aanmerkelijkbelangregeling zou op vergelijkbare wijze een lid toegevoegd kunnen worden aan zowel artikel 4.43 Wet IB 2001 als artikel 4.46 Wet IB 2001, welke bepalingen bijvoorbeeld als volgt zouden kunnen luiden:
Indien de belastingplichtige4 zijn tot zijn aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen houdt via een derde die tegenover deze aandelen of winstbewijzen certificaten of vergelijkbare rechten heeft uitgegeven aan de belastingplichtige (het administratiekantoor), dan wordt de belastingplichtige geacht reguliere voordelen te hebben ontvangen op het moment dat zich ten aanzien van het administratiekantoor een genietingstijdstip als bedoeld in het eerste lid voordoet. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover zich reeds ten aanzien van de belastingplichtige zelf een genietingstijdstip met betrekking tot de desbetreffende reguliere voordelen heeft voorgedaan.5
Voor zover bij de belastingplichtige belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen wordt op grond van het derde lid, terwijl het administratiekantoor in verband met dit inkomen kosten heeft gemaakt welke aftrekbaar zijn in de zin van artikel 4.44, dan worden deze kosten eveneens bij de belastingplichtige als aftrekbare kosten in aanmerking genomen.6
Respectievelijk
Indien de belastingplichtige zijn tot zijn aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen houdt via een derde die tegenover deze aandelen of winstbewijzen certificaten of vergelijkbare rechten heeft uitgegeven aan de belastingplichtige (het administratiekantoor), dan wordt de belastingplichtige geacht deze aandelen of winstbewijzen vervreemd te hebben op het moment dat het administratiekantoor deze aandelen of winstbewijzen vervreemdt De omvang van het in aanmerking te nemen belastbare inkomen wordt bepaald alsof de belastingplichtige rechtstreeks rechthebbende op de in de eerste volzin genoemde aandelen of winstbewijzen is, op het moment dat de in deze volzin bedoelde gebeurtenissen zich voordoen. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover door de belastingplichtige zelf een vervreemding van de desbetreffende aandelen of winstbewijzen heeft plaatsgevonden of geacht wordt te hebben plaatsgevonden.
In aanvulling hierop dient dan nog geregeld te worden dat de certificaathouder een recht heeft om de verschuldigde belasting te verhalen op de STAK. Aangezien er geen andere “natuurlijke” plek in de Wet IB 2001 is, waar een dergelijke bepaling in het systeem van de wet ingepast kan worden, ben ik geneigd om deze regeling op te nemen bij de bepaling die het realisatie- c.q. genietingsmoment voor de certificaathouder bepaalt. Een dergelijke bepaling zou bijvoorbeeld als volgt geformuleerd kunnen worden:
[10.] Indien de belastingplichtige [vermogensbestanddelen indirect ter beschikking stelt als bedoeld in artikel 3.91 of artikel 3.92 ] [tot zijn aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen houdt] via een administratiekantoor als bedoeld in het [tweede] [derde] [negende] lid en de belastingplichtige [resultaat uit overige werkzaamheden realiseert met de desbetreffende vermogensbestanddelen] [reguliere voordelen][vervreemdingsvoordelen] geniet in verband met deze aandelen of winstbewijzen], dan heeft de belastingplichtige verhaal op het administratiekantoor voor het bedrag van de in verband met [dit resultaat uit overige werkzaamheden] [deze reguliere voordelen] [deze vervreemdingsvoordelen] verschuldigde inkomstenbelasting, voor zover deze belasting is voldaan. Het verhaalsrecht ontstaat niet ter zake van bij de belastingplichtige in de heffing betrokken [resultaat uit overige werkzaamheden] [reguliere voordelen] [vervreemdingsvoordelen] voor zover het administratiekantoor van [dit resultaat] [deze voordelen] een bedrag ter grootte van ten minste de ter zake van [dit resultaat] [deze voordelen] verschuldigde belasting heeft uitgekeerd aan de belastingplichtige in het jaar waarop deze belastingheffing betrekking heeft. [Eventuele toevoeging: Het administratiekantoor kan de met dit verhaalsrecht corresponderende verplichting naar keuze voldoen uit de desbetreffende [vermogensbestanddelen] [aandelen of winstbewijzen], dan wel [het hieruit voortvloeiende resultaat] [de hieruit voortvloeiende [reguliere voordelen] [vervreemdingsvoordelen]], tenzij anders tussen de belastingplichtige en het administratiekantoor overeengekomen.]7
Het voorgaande is bewust ruim geformuleerd, omdat anders een ander knelpunt ontstaat: de voorgestelde aanvullende leden die een realisatie- of genietingsmoment of een vervreemding van aanmerkelijk belang forceren zijn geformuleerd als een voor zover-bepaling. Slechts voor zover de certificaathouder niet reeds zelfstandig belaste inkomsten realiseert of geniet hebben deze bepalingen werking. Voor wat betreft het verhaalsrecht zou daarbij aangesloten worden. Dit zou evenwel ertoe kunnen leiden dat niet zozeer tussen de certificaathouder en de belastingdienst, als wel tussen de certificaathouder en het bestuur van de STAK discussie ontstaat over de grond waarop de certificaathouder inkomstenbelasting verschuldigd is: wegens een bij hemzelf opkomend resultaat c.q. voordeel of een bij de STAK opkomend resultaat of voordeel dat bij de certificaathouder belast wordt. In het eerste geval zou immers geen sprake zijn van een verhaalsrecht en in het tweede geval wel.
Het creëren van een dergelijke bron van discussie is naar mijn mening ongelukkig. Derhalve gaat mijn voorkeur er naar uit om het verhaalsrecht betrekking te laten hebben op alle inkomsten voor welke de certificaathouder als zodanig belast wordt, ongeacht op welke grond de heffing plaatsvindt. Dit waarborgt de positie van de certificaathouder het beste en dat past bij mijn bedoeling met deze regeling. Wel is in de tweede volzin een beperking aangebracht, om te voorkomen dat de certificaathouder én de inkomsten krijgt uitgekeerd door de STAK én daarnaast een verhaalsrecht krijgt. Het verhaalsrecht ontstaat derhalve niet voor zover de STAK de inkomsten heeft uitgekeerd aan de certificaathouder, althans een zodanig groot deel daarvan dat de ter zake van deze inkomsten verschuldigde belasting betaald kan worden.8 Daarbij heb ik om redenen van eenvoud de grens getrokken bij dooruitkering door de STAK in hetzelfde jaar. Toegegeven zij dat dit enigszins arbitrair is en niet alle samenloop uitsluit tussen uitkering en het ontstaan van het verhaalsrecht, aangezien bijvoorbeeld denkbaar is dat de inkomsten kort voor jaareinde opkomen en dooruitkeren voor jaareinde niet mogelijk blijkt. Het lijkt mij evenwel noodzakelijk om ergens een grens te trekken, waarbij vanuit het perspectief van de bescherming van de certificaathouder ook niet te veel ruimte gelaten moet worden voor uitstel van de uitkering. Aansluiten bij het moment van het verschuldigd worden van de belasting is bovendien naar mijn mening te variabel, omdat dit zich op verschillende momenten kan voordoen. Indien het inkomen begrepen wordt in een verzoek om een voorlopige aanslag, zou dit moment al kunnen liggen voor het einde van het jaar van uitkering. Praktisch gezien kan het bestuur van de STAK bovendien samenloop tussen de uitkering en het verhaalsrecht voorkomen door, indien uitkering in hetzelfde jaar niet mogelijk blijkt, maar wel gewenst is, bij de betaling aan te geven dat een deel van de betaling geen uitkering is, maar een voldoening van de uit het verhaalsrecht voortvloeiende verplichting. Uiteraard is dit slechts nodig voor zover daarover geen overeenstemming zou bestaan tussen de certificaathouder en de STAK.
Naar mijn mening kan op deze wijze voorzien worden in een regeling die (i) de thans bestaande onduidelijkheden wegneemt, (ii) rekening houdt met het heffingsbelang van de Staat, doordat geen sprake is van heffingslekken (terwijl een eventueel in de huidige situatie bestaand heffingslek wordt opgeheven) en tevens (iii) de financiële positie van de certificaathouder beschermt en daarbij ook meer bescherming biedt dan de certificaathouder op dit moment geniet. Daarmee wordt een evenwichtig resultaat bereikt.