De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.4:7.4 Het raadkameroverleg tijdens een schorsing van de zitting
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.4
7.4 Het raadkameroverleg tijdens een schorsing van de zitting
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174142:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Acht van de tien zittingen werden – een of tweemaal – geschorst (zie figuur 7.1). Slechts twee keer werden de schorsingen niet benut om te raadkameren. Schorsingen gebeurden meestal op initiatief van de rechters, en dan met name van de voorzitter. Tweemaal was het verzoek daartoe afkomstig van advocaten. In het ene geval verzocht de raadsman van een procespartij de rechtbank om een voorlopig oordeel. In het andere geval deed een advocaat een laatste poging om een schikking te bewerkstelligen:
Voorzitter: ‘Zullen we dan datum bepalen voor vonnis?’
Advocaat wederpartij: ‘Geef ons vijf minuten om eruit te komen.’
Voorzitter: ‘We schorsen tot 13.45 uur.’
Rechters en partijen verbleven tijdens een schorsing nooit in dezelfde ruimte. De voorzitter maakte in zijn aankondiging van de schorsing duidelijk of partijen de zittingszaal dienden te verlaten dan wel konden blijven:
‘U krijgt nu de gelegenheid buiten de zaal met elkaar te overleggen!’
Overleg tussen partijen vond meestal plaats op de gang en anders in de zaal. Als een schorsing alleen ten behoeve van raadkameroverleg was, dan verlieten de rechters de zittingszaal naar de naastgelegen raadkamer. Vaak deden ze dat zelfs wanneer partijen de zaal ook hadden verlaten:
Een rechter: ‘Een tijd geleden heeft een advocaat de raadkamer afgeluisterd door zijn telefoon op record te zetten. Daarom gaan we voortaan naar de raadkamer naast de zittingszaal.’
Schorsingen werden meestal voor meerdere doeleinden benut. Vaak ging het erom partijen en hun raadslieden in de gelegenheid te stellen een schikking overeen te komen en om rechters met elkaar van gedachten te laten wisselen. Het doel van een raadkameroverleg tijdens een schorsing was hoofdzakelijk ofwel om tot een voorlopig oordeel te komen, ofwel om verzamelde informatie te inventariseren. Bij het heropenen van de zitting deelde de voorzitter het voorlopig oordeel mee. Het volgende fragment van een raadkameroverleg toont hoe rechters tot een voorlopig oordeel komen. De vraag die zich in deze kwestie voordeed was of een notaris zijn informatieplicht had geschonden jegens degene voor wie hij een hypotheekakte had opgesteld.
Voorzitter: ‘Partij P betwist niet dat ze een geldlening heeft getekend. Dat er fouten in de hypotheekakte staan, staat los van de bedoeling van partijen om het contract te tekenen, om elkaar geld te lenen.’
Oudste rechter: ‘Wat de notaris wordt verweten is dat hij P en Q met elkaar in contact heeft gebracht. We zeggen: wij zien niet hoe dat een verwijt aan de notaris kan zijn.’
Jongste rechter: ‘Q is failliet gegaan, waardoor P haar geld kwijt is. De notaris zou P niet goed geïnformeerd hebben [over de risico’s als gevolg van Q’s penibele financiële situatie] en de hypotheekakte zou onjuist en onduidelijk zijn. Dat zegt P.’
Voorzitter: ‘Maar P wíst dat het geld naar Q ging. Dat geld liep via de derden-rekening van de notaris. Ze wist het.’
Oudste rechter: ‘Dat Q geen verhaal biedt aan P staat hier los van. P denkt: mijn geld is doorgeleend aan arme sloebers en dat wilde ik niet. Maar dat is gewoon afgesproken. Dat valt de notaris niet aan te wrijven. Hem treft geen blaam, dát moeten we zeggen.’
Zoals gesteld was een andere reden tot schorsing om de ter zitting vergaarde informatie op een rij te zetten, zodat de rechters gezamenlijk vast konden stellen of er nog onduidelijkheden waren die tijdens het vervolg van de zitting zouden moeten worden opgehelderd. In de bijgewoonde zittingen werd drie keer om deze reden geschorst, bijvoorbeeld:
Voorzitter: ‘Wat hebben we nu allemaal. De overeenkomst, de vordering, onderbouwing, verweren, het tussenvonnis, … Zie ik wat over het hoofd?’
Oudste rechter: ‘De vrijwaring.’
Voorzitter: ‘Wat moeten we nog weten van [de in vrijwaring opgeroepen partij]?’
Jongste rechter: ‘Alles is wel bekend volgens mij.’
Voorzitter: ‘Dan wat betreft die reconventie.’
Oudste rechter: ‘Ja, een lastige kwestie.’
Voorzitter: ‘Nee hoor! Er is geen officiële reconventie. Eventueel kunnen we die reconventie als verweer meenemen.’
Jongste rechter: ‘Gedaagde kiest ervoor om voor twee ankers te gaan liggen. Dat zei hij ook.’
Voorzitter: ‘Maar de reconventie, nee. Hoogstens als verweer.’
Oudste rechter: ‘Daar moeten we zo dan maar mee beginnen.’
Eenmaal werd geschorst op verzoek van de oudste rechter, die tijdens de zitting onhoorbaar enkele woorden had gewisseld met de griffier, achter de voorzitter langs. In de raadkamer:
Oudste rechter: ‘[Griffier] wilde iets zeggen!’
Griffier: ‘Gedaagde heeft geen verweer tegen de gederfde winsten gevoerd!
Gaan jullie daar wat mee doen?’
Oudste rechter: ‘Daar kan hij ook zelf mee komen.’
Griffier: ‘Het gaat om een hoop geld. Ik vraag me af of ze dat in de gaten hebben.’
Voorzitter: ‘De claim is slecht onderbouwd, ik voel er sowieso weinig voor die toe te kennen.’
In het vervolg van deze zitting werd niet meer over de onderbouwing van de gestelde gederfde winst gesproken. Uit later raadkameroverleg bleek dat de vordering zou worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing.
In een andere zaak discussieerden de rechters tijdens de schorsing van een zitting eveneens over de vraag of het gepast is om een partij te wijzen op het ontbreken van verweer:
Jongste rechter: ‘Een formeel punt in de verstekverlening: moeten we partij A erop wijzen dat ze [in een bijzaak in de procedure] geen verweer hebben gevoerd? Dan zijn ze straks de pineut. We kunnen proberen hier iets van te zeggen!’
Voorzitter: ‘Nee, dat ligt niet op onze weg!’
Jongste rechter: ‘Hmm, ja, ze weten hier gewoon weinig van.’
Voorzitter: ‘Waarom zegt hun advocaat dat niet?’
De rechters wezen ter zitting niet op het ontbreken van verweer.
De rechters schorsten eenmaal vlak voor het einde van een zitting om het vervolg van de procedure te bepalen. Partijen hadden zojuist een voorlopig oordeel te horen gekregen en waren verdeeld over de wijze waarop de procedure zou moeten worden voortgezet:
Tijdens de zitting:
Advocaat derde partij: ‘Twee weken de zaak aanhouden, stel ik voor.’
Advocaat eiser: ‘Liever niet.’
Advocaat gedaagde: ‘De impact is behoorlijk.’
Advocaat eiser: ‘Wil gedaagde nog wel praten nu?’
Advocaat gedaagde: ‘Ik wil me beraden op processuele stappen. Rechtsvordering erbij pakken.’
Advocaat eiser: ‘Ik stel een eindvonnis voor als ik dit zo hoor.’
Voorzitter: ‘Ik begrijp dat er geen ruimte is voor een gesprek nu. Beraad van twee weken is mogelijk. Voelt u daarvoor?’
Advocaat eiser: ‘Wij willen eindvonnis.’
Voorzitter: ‘Wij trekken ons even terug. We stellen voor het proces-verbaal op te maken buiten uw aanwezigheid. U krijgt dan nog gelegenheid tot reageren.’ Tijdens het daaropvolgende raadkameroverleg:
Voorzitter: ‘Een vonnis dus! Zes weken. Want zouden ze er in twee weken uit zijn?’
Oudste rechter: ‘Geloof ik niks van!’
Voorzitter: ‘Maar dan zijn wij nog niet klaar. Wat heeft eiser te verliezen? Zolang het duurt, krijgen ze alleen maar meer rente.’
Oudste rechter: ‘Ja, maar toch snap ik ze wel. Ze willen ervan af zijn.’
Jongste rechter: ‘Ze krijgen toch twee weken beraad met de tijd die het duurt om het vonnis te schrijven?’
Voorzitter: ‘Nee, ze krijgen twee weken beraad en daarná hebben wij zes weken voor vonnis.’
Oudste rechter: ‘Dat beraad wil alleen de derde partij.’
Voorzitter: ‘Dus, de conclusie?’
Oudste rechter: ‘Ik ben niet voor een beraad als er geen mogelijkheid tot een oplossing ligt. Eiser wil voortvarend voortprocederen.’
Voorzitter: ‘Mijn idee is: twee weken beraad, zes weken voor vonnis. De eerste twee weken kunnen ze dan gebruiken om eruit te komen.’
Oudste rechter: ‘Nu zes weken; dat halen wij niet eens. Er komt ook nog een vakantie aan.’
Voorzitter: ‘Ja, dat wordt zeker later. We halen zes weken niet.’
Oudste rechter: ‘Dan krijgen ze dus feitelijk wel tijd voor beraad.’
Voorzitter: ‘Goed, dan doen we het zo.’
Uiteindelijk kwam het vonnis acht weken na de zitting gereed conform de beslissing in de raadkamer. De voorzitter wilde partijen twee weken schenken om eruit te komen en vervolgens, als hun overleg niets zou opleveren, zes weken om vonnis te wijzen. De oudste en jongste rechter voelden ervoor om direct zes weken voor vonnis te rekenen, waarbij de jongste rechter meende dat partijen binnen dat tijdsbestek twee weken hadden voor beraad. De oudste rechter constateerde toen dat het er vanwege vakantie niet in zat om binnen zes weken vonnis te wijzen, waarna de raadkamer besloot het voorstel van de voorzitter te volgen. Het blijft speculeren wat er zou zijn gebeurd als de rechters als unus hadden moeten beslissen over het vervolg van de procedure, maar uit de discussie kan worden afgeleid dat de rechters verschillende beslissingen zouden hebben genomen.
In een andere zitting werd geschorst om een deskundigenverklaring op schrift te stellen. Dit raadkameroverleg verliep als volgt:
De griffier schreef de mondelinge verklaring van de deskundige uit, waarna de rechters het concept lazen. Allen gaven vervolgens kleine wijzigingen aan de griffier door, die de aanpassingen meteen verwerkte.
Bij het gereedkomen van de conceptverklaring vroeg de jongste rechter wat ter zitting de bedoeling was: moesten de rechters de verklaring vóórlezen of zou de deskundige die zelf lezen.
De oudste rechter antwoordde dat de verklaring moest worden voorgelezen.
De jongste rechter: ‘Ja, met voorlezen worden ook minder correcties doorgegeven.’
De rechters bespraken in de raadkamer niet nadrukkelijk een strategie om partijen of raadslieden tot gewenst gedrag aan te zetten. Zo werd niet afgesproken om partijen over te halen een schikking tot stand te brengen of om hun bepaalde uitspraken te ontlokken. Wel lieten de rechters enkele keren doorschemeren naar een schikking te streven.
Voorzitter: ‘Partijen willen er samen uitkomen denk ik. Ze hebben alleen wel een zetje nodig. Moeten we ze dat geven?’
Oudste rechter: ‘We kunnen zo eens kijken.’
Eenmaal sprak een rechter onverholen de intentie uit om een partij te beïnvloeden. De andere leden van de raadkamer gingen daar echter niet op in:
Voorzitter: ‘We moeten eiser ertoe bewegen de route naar de notarissen niet te volgen.’
Jongste rechter (reageert niet op deze opmerking): ‘Het is onduidelijk wie nu wie onbevoegd heeft vertegenwoordigd. Na het passeren van de verkoopakte is veel vreemds gebeurd.’
Oudste rechter: ‘Belangrijk is de eerste handeling. Laten we daar eerst eens naar kijken.’
Het beraad van de rechters tijdens een schorsing nam nooit veel tijd in beslag: maximaal tien minuten. De enige uitzondering hierop was de keer dat de deskundigenverklaring werd uitgewerkt. De reden dat een schorsing toch meestal langer dan tien minuten duurde, was dat het overleg tussen partijen aanzienlijk meer tijd vergde dan de gedachtewisseling van de rechters. Dat leidde eens tot deze afsluiting van het raadkameroverleg:
Voorzitter: ‘Zijn we nu wel rond? Kan ik nu gaan roken?’
Griffier: ‘Wat zullen wij dan gaan doen? Pimpampetten?’