De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.4.1:6.3.4.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.4.1
6.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373941:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de bepaling van de redelijkheidsgrens van de uitoefening van het recht op nakoming dienen de kosten van nakoming te worden afgewogen tegen het geobjectiveerde schuldeisersbelang. Met de vaststelling van de twee grootheden is echter nog geen antwoord gegeven op de vraag wanneer het recht op nakoming komt te vervallen. Hoe hoog moeten de nakomingskosten zijn gestegen ten opzichte van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, wil de schuldenaar zich van zijn nakomingsverplichting kunnen bevrijden? In deze paragraaf doe ik een voorstel voor een concreet omslagpunt voor het recht op nakoming.
Anders dan in het Nederlandse recht kent het Duitse recht wel een wettelijke norm waarin de relatieve onmogelijkheid is uitgewerkt (§ 275 Abs. 2 BGB). Het ligt dan ook voor de hand om na te gaan of § 275 Abs. 2 een voldoende scherpe norm biedt die model kan staan voor een scherpe norm naar Nederlands recht. In par. 6.3.4.2 bespreek ik de drie gezichtspunten van § 275 Abs. 2 BGB en concludeer ik dat deze gezichtspunten zo open zijn dat zij nauwelijks een concretisering aanbrengen van het begrip relatieve onmogelijkheid. In par. 6.3.4.3 bespreek ik dat weliswaar het primaat van nakoming op het pacta sunt servanda-beginsel kan worden gegrond, maar dat dat niet geldt voor de strenge maatstaf die de geldende beperkingsgronden van het recht op nakoming vereisen. In par. 6.3.4.4 stel ik voor dat als de nakomingskosten hoger zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, de schuldenaar zich met succes tegen een vordering tot nakoming moet kunnen verweren. In par. 6.3.4.5 draag ik verschillende argumenten aan ter onderbouwing van de keuze voor het percentage van 130%. In par. 6.3.4.6 bespreek ik de voor- en nadelen van een procentueel omslagpunt ter begrenzing van het recht op nakoming.