Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.e
e. Kavels/kavelingen/soultes
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471279:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Het woord ‘ruil’, dat eveneens in beide begrippen voorkomt, is reeds uitgebreid behandeld in onderdeel C.3 hiervoor.
Aldus Asser-Perrick, 3-V*, Gemeenschap, nr. 81. Zie tevens Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, p. 327. Zie tevens J.G. Klaassen, J. Eggens, E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, tweede gedeelte: erfrecht, p. 317 en 338 e.v., alsmede A.I.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 79.
Zie bijv. HR 28 juni 1963, NJ 1963, 507. Zie over deze uitspraak tevens onderdeel g hierna, alsmede A. L.G.A. Stille ‘Boedelscheiding: door partijen of de rechter?’, in: JBN 1998/102, alsmede A.L.G.A. Stille ‘Rechterlijke en/of notariële tussenkomst bij de verdeling van een gemeenschap’, in: JBN 2009/3.
Zie bijv. F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert het jaar 1810, eerste deel, Utrecht: J.L. Beijers 1883, p. 154. Zie tevens Bijlagen bij Kamerstukken II 1863/1864, 47e vel, p. 209. De term ‘soulte’ wordt thans nog wordt gebruikt in het Franse recht t.a.v. de ruilovereenkomst en t.a.v. de overeenkomst van verdeling.
Bij wet van 12 juni 1816, Stb. nr. 26.
Zie Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, Aantekening 2.24.1 Ruiling van onroerende zaken bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, Artikel 9. Zie tevens Kamerstukken II 1969/1970, 10560, nr. 3, p. 11 voor een beschrijving van een dergelijke regeling onder het regime van de Registratiewet 1917. Zie ten slotte A.l.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 95 e.v., waar loting wordt genoemd als een manier om de verdeling van een marke te bewerkstelligen.
Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, p. 326-331. Of er daadwerkelijk een parallel bestaat tussen beide inbrengbegrippen, zal hierna in onderdeel f nader worden onderzocht.
Asser-Meijers, vierde deel, Erfrecht, p. 328.
Zie tevens onderdeel B.l.g hiervoor.
Daarbij dient te worden aangetekend dat, i.h.k.v. de hierna in onderdeel g te bespreken ‘verdeling door de rechter’ ex art. 3:185 BW, toedeling met overbedeling mogelijk is, zo bepaalt art. 3:185 lid 1 sub b BW, waarover uitgebreid A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, in: Verdeling in de notariële praktijk, preadvies voor het wetenschappelijk congres van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie op 5 oktober 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 227-228.
Zie onderdeel 1 van de inleiding.
Wanneer de begrippen ‘kavelruil’ en ‘ruilverkaveling’ zuiver etymologisch worden beschouwd, valt direct op dat in beide begrippen het woord ‘kavel’ voorkomt.1 Dit woord werd, onder het regime van het oud BW, eveneens gebruikt in het kader van de scheiding en deling, zoals in onderdeel b beschreven de voorloper van de hedendaagse verdeling. In dit onderdeel zal worden bezien of er, via dit begrip ‘kavel’, een brug te slaan is tussen de kavelruil en de verdeling.
In het oud BW werd met het begrip ‘scheiding’ gedoeld op het maken van kavels ofwel kavelingen door de deelgenoten, terwijl het woord ‘deling’ op de toescheiding zag.2 Ook in de rechtspraak wordt gesproken over deze ‘kavelingen’, 3 in oude literatuur en parlementaire stukken ook wei aangeduid met de Franse term souites.4
De oorsprong van deze kavelingen casu quo souites, was gelegen in de Napoleontische Code Civil, alwaar artikel 834 bepaalde dat, bij een verdeling van een nalatenschap, ingeval niet alle erfgenamen het vrije beheer over hun goederen hadden en tegenwoordig waren, toedeling van de kavelingen aan de deelgenoten geschiedde maar door het lot. De vrije keuze van de deelgenoten omtrent de toedeling werd alsdan vervangen door een gedwongen loting. Dit systeem werd overigens in 1816 als hoofdregel afgeschaft.5
Sinds die tijd droeg de regeling van toedeling door het lot een subsidiair karakter: artikel 1125 lid 2 en 3 oud BW bepaalden dat (enkel) indien partijen het niet eens konden worden over de toedeling, de goederen in zoveel kavelingen verdeeld moesten worden als er erfgenamen of staken waren. Vervolgens bepaalde het lot6 de toedeling van de kavelingen. Overigens werd en wordt het begrip ‘lot’ ook in fiscalibus toegepast. Zo geldt als maatstaf van heffing bij een ruiling van onroerende zaken overeenkomstig artikel 9, lid 1, Wet op belastingen van rechtsverkeer, de waarde van de verkregen onroerende zaak met als minimum de waarde van de tegenprestatie voor die zaak. Voor de bepaling van die tegenprestatie dient als uitgangspunt te worden genomen dat de waarde van het ene lot de tegenprestatie vormt voor het andere lot. Onder ‘lot’ wordt dan verstaan de totale waarde van al hetgeen de ene partij tegen de andere presteert.
De kavelruil-adept voelt zich bij het lezen van het voorgaande beschouwingen langzaam meer en meer thuis in ‘verdelingsland’, meer precies in ‘scheiding- en delings- land’: kavelingen, toedeling, de overeenkomsten, althans op terminologisch gebied, lijken het bestaan van een juridisch-historische band tussen kavelruil en verdeling, ondanks de afwezigheid van een gemeenschap, te bewijzen. Wanneer ‘Asser-Meijers’ wordt geraadpleegd, lijkt ook het begrip ‘inbreng’ aan de reeks terminologische parallellen te kunnen worden toegevoegd.7 De ‘aha-erlebnis’ komt echter tot een (voorlopig) hoogtepunt wanneer in hetzelfde boek de navolgende bespreking van artikel 1126 oud BW wordt aangetroffen:
“Na de loting zijn de deelgenoten bevoegd tot de ruiling van de hun bij het lot toebedeelde kavelingen. Geschiedt zulks vóór het sluiten der akte van scheiding en wordt het daarin opgenomen, dan heeft dit hetzelfde gevolg alsof de over en weder geruilde goederen waren toegescheiden. (onderstreping door mij, JR)." 8
De cirkel lijkt nu rond te zijn: ook de term ‘ruiling’ kan aan voormeld ‘gemeenschappelijk vocabulaire’ worden toegevoegd. Ook in het kader van een verdeling is het ruilen van kavels immers mogelijk.
Schijn bedriegt echter. Het oud BW bevat weliswaar veel terminologische overeenkomsten tussen verdeling en kavelruil, maar deze zijn, wanneer nader beschouwd, enkel van zuiver-etymologische aard. Het juridische begrip kavel in landinrichtingssferen heeft een fundamenteel andere, meer fysieke inhoud (een perceel grond)9 dan de kavel als bestanddeel van de onverdeeldheid in boedelscheidingssferen. Voorts wordt bij het verdelen in kavelingen als uitgangspunt genomen dat er evenveel kavels gemaakt worden als er deelgenoten zijn. Deze werkwijze is bij kavelruil doorgaans niet aan de orde, 10 Formeel zijn er derhalve raakvlakken tussen beide ‘kavelbegrippen’, maar materieel (juridisch-inhoudelijk) is er geen correlatie aanwezig.
Bovendien vormde de ruil in het kader van artikel 1126 oud BW niet de basis, maar slechts een (facultatieve) handeling aan het einde van het verdelingsproces, waaraan men bovendien enkel toekwam indien de scheiding gepaard ging met loting. Zoals hiervoor in onderdeel C.3 betoogd vormt de ruil bij de kavelruil het vertrekpunt en een (verplicht) kernelement van deze rechtsfiguur. Hier lopen de beide rechtsfiguren dus aanmerkelijk uiteen.
Voorts kan de loting uit artikel 1125 lid 2 en 3 oud BW op geen enkele wijze worden getransponeerd richting het landinrichtingsinstrumentarium: wat zouden immers de gevolgen zijn wanneer de toedeling bij kavelruil en (nog sprekender) bij herverkaveling zou plaatsvinden door middel van een (gedwongen) loting? Ik zou mij kunnen voorstellen dat taferelen zoals in Tubbergen11 dan slechts kinderspel waren: een louter willekeurige wijze van toedeling zou het maatschappelijk draagvlak voor deze instrumenten tot nul reduceren en zou op forse weerstand bij de deelnemers stuiten. Bovendien zou iedere vorm van (overheids)sturing op doelen en concrete uitkomsten van de verkaveling door een dergelijke werkwijze volledig onmogelijk worden.
Het moge duidelijk zijn: er bestaat op terminologisch gebied zeker een (sterke) historische band tussen kavelruil en verdeling, maar deze berust voornamelijk op etymologische gelijkenissen. Wanneer de diverse met elkaar corresponderende termen juridisch-inhoudelijk worden bezien en worden vergeleken, blijkt van meer dan deze historische band geen sprake te zijn.