Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.1
4.1 Inleiding
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392102:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor wetenschappelijke onderzoeken op internationaal niveau onder meer Packer 1969, Feinberg 1984-1988, Duff 2007, Simester & Von Hirsch 2011 en Duff e.a. binnen het project ‘Criminalization’ 2010-2014. De noodzaak van deze onderzoeken wordt door Ashworth heel treffend verwoord: ‘Although it is true that the frontiers of criminal liability are not given but are historically and politically contingent, it remains important to strive to identify those interests that warrant the use of the criminal law and to refine notions such as harm and wrongdoing which play so prominent a part even in political discussions of these questions.’ Ashworth 2009, p. 23. Zie ook Duff 2014, p. 45-46. Zie voor het Nederlandse debat omtrent regulerende strafrechtbeginselen in het bijzonder Hulsman 1965 en 1972, Van Bemmelen 1973, Corstens 1984, De Roos 1987, Groenhuijsen 1993, Haveman 1998 en Cleiren e.a. 2012.
Smidt 1891, p. 16.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 3, p. 60: ‘Daarbij is – in verband met de omstandigheid dat de inzet van het strafrecht ultimum remedium is – van betekenis dat benadeelden in bepaalde gevallen ook andere wegen kunnen bewandelen om gegevens van het internet te weren’; Kamerstukken II 2015/16, 29 614, nr. 39, p. 19: ‘De inzet van het strafrecht is een ultimum remedium. Veel problematisch gedrag is niet strafbaar en de strafrechtelijke handhaving kan niet eerder worden aangewend dan nadat een strafbaar feit is geconstateerd. In eerste instantie moet daarom worden ingezet op het voorkómen van eventueel strafbare feiten – zoals discriminatie, haatzaaien of opruiing’; Kamerstukken II 2015/16, 34412, nr. 6, p. 32: ‘Er is tevens niet gekozen voor een strafrechtelijke boete, omdat het inzetten van het strafrecht ultimum remedium dient te zijn’; Kamerstukken II 2015/16, 25883, nr. 272, p. 11: ‘(...) het probleem van pesten het meest effectief kan worden bestreden door er in een vroeg stadium bij te zijn, voordat er sprake is van escalatie en je het ultimum remedium strafrecht zou moeten willen toepassen (...)’; Kamerstukken II 2015/16, 29754, nr. 358. p. 34: ‘Ik zeg daar nog even dat het strafrecht in Nederland het ultimum remedium is als iemand zich in strijd met de wet gedraagt’; Kamerstukken II 2015/16, 33 996, nr. 39, p. 17: ‘De kansspelautoriteit blijft werken aan internationale samenwerking. Zij kan het strafrecht als ultimum remedium inzetten, zodat persisterende illegale aanbieders aangepakt kunnen worden’; Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 611, p. 2: ‘Met het Openbaar Ministerie is gesproken over het handhavingsbeleid. Hieruit is naar voren gekomen dat voor zaken waarbij sprake is van overtreding van artikel 151b en 151c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) geldt dat het Openbaar Ministerie steeds afweegt of vervolging opportuun is gezien de ernst van het feit, beschikbare capaciteit en het maatschappelijk belang dat geraakt wordt door het feit. Een dergelijke afweging vindt altijd plaats in het licht van de gedachte dat het strafrecht ultimum remedium dient te zijn’; Handelingen II 2014/15, 36-9, p. 26 (minister Van der Steur): ‘Ik wijs de heer Ruers er voorts nog op dat de strafrechter altijd het ultimum remedium is;’ Kamerstukken I 2013/14, 32 203-F, p. 2: ‘Een strafbepaling waarin centraal staat hoe een uitlating door mensen (subjectief) wordt ervaren zou al snel in strijd komen met het legaliteitsbeginsel (lex certa), is in de praktijk moeilijk handhaafbaar en past niet bij de idee van strafrecht als ultimum remedium. (…) Het kabinet kan de [deze, SL] conclusies van het onderzoek onderschrijven.’
Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p. 11-12: ‘Vanouds spreekt men vaak over het strafrecht als “ultimum remedium”: pas wanneer alle andere middelen om het gewenste gedrag te bewerkstelligen zijn beproefd, zou de inzet van het strafrecht overwogen kunnen worden. Deze gedachte van strafrecht als “ultimum remedium” kwam voort uit de notie dat, hoe nodig inzet van het strafrecht ook kan zijn voor de leefbaarheid van de samenleving, de werkzaamheid van die inzet beperkt is. Hoe juist en realistisch deze notie ook, de “ultimum-remedium gedachte” heeft ook iets gekunstelds. (…) Steeds vaker duikt tegenwoordig de term “optimum remedium” op. De gedachte aan de inzet van het strafrecht als één van de middelen om het gewenste gedrag in de samenleving te bevorderen, dat tegelijk werkzaam is naast middelen als inrichting van de fysieke omgeving, beveiliging, toezicht, handhaving met privaat- of bestuursrechtelijke middelen, zorg en hulpverlening, die gedachte spreekt aan. Inzet van het strafrecht is een zwaar middel, waarvan het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel voorschrijven dat het niet eerder wordt ingezet dan wanneer het strikt noodzakelijk en proportioneel is. In de “optimum remediumgedachte” is van belang dat voor een reactie op ongewenst gedrag de werkzame, werkbare en passende middelen beschikbaar zijn en dat van geval tot geval voor een bepaald middel of een mix van middelen wordt gekozen.’ Zie ook Strategisch handhavingskader zorg 2015 (Ministerie VWS), p. 3: ‘Het strafrecht geldt hierin als optimum remedium: het wordt ingezet daar waar het te verwachten effect het grootst is’ en Handelingen II 2014/15,51-7, p. 8: ‘Wij denken dat strafrecht een van de schakels is bij de bestrijding van zorgfraude. Strafzaken zijn namelijk complex en ze kosten tijd en geld. Daarom wordt het strafrecht gericht ingezet waar dit het meeste effect sorteert. Het wordt ingezet als optimum remedium en niet als ultimum remedium. Uiteindelijk gaat het om een optimaal resultaat. ’
Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD), nr. BLKB/2015/572M: ‘De laatste jaren is een ontwikkeling gaande met betrekking tot de wijze waarop het strafrecht wordt ingezet, waarbij het strafrecht niet langer wordt gezien als een geïsoleerd, repressief sluitstuk van de handhavingsketen (“ultimum remedium”), maar als een instrument dat in verbinding staat met andere vormen van handhaving, toezicht en nalevingsbevordering. (...) Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen waarin sprake is van schendingen van de rechtsorde die schade aan de maatschappij kunnen toebrengen. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan uitgaat. Door het strafrecht als integraal onderdeel van de handhaving in te zetten, kan het benut worden om als totale keten proactief op te treden en brede maatschappelijke effecten te sorteren. In lijn met deze koers wordt het strafrecht steeds meer ingezet als een instrument dat in verbinding staat met andere vormen van handhaving, toezicht en nalevingsbevordering, waarbij het strafrecht de andere schakels in de (overheids-) handhaving ondersteunt en vice versa, waardoor de handhaving als geheel effectiever wordt. Daarnaast is er een groeiende behoefte aan snelle (strafrechtelijke) interventies waar ingrijpen in de actualiteit nodig is ter voorkoming van (verdere) maatschappelijke schade.’
Zie o.a. Duff e.a. 2014, p. 3-5 en 45, Haveman 1996, p. 22-23 met verwijzing naar Tak, De Hullu, Van der Neut, Wedzinga, Haentjes, Corstens en Remmelink.
De Nederlandse wet bevat geen regeling waarin de heersende beginselen van het strafrecht zijn uitgewerkt. Ook in het internationale strafrecht bestaat geen algemene leidraad van strafrechtbeginselen. Dat betekent echter niet dat de beginselen niet zijn af te leiden uit de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de strafrechtsliteratuur.1 De Nederlandse wetgever heeft bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht benadrukt dat de inzet van strafrecht het ultimum remedium dient te zijn.2 Deze grondstelling wordt ook nu nog door de wetgever onderschreven.3 Daarnaast benadert de wetgever het strafrecht de laatste jaren steeds vaker vanuit een optimum remedium gedachte.4 De inzet van het strafrecht dient effect te sorteren. Het staat als instrument in verbinding met andere vormen van handhaving waarbij het strafrecht en de andere schakels in de (overheids)handhaving elkaar over en weer kunnen ondersteunen.5 Deze gedachten vormen het vertrekpunt van de relevante strafrechtbeginselen.
Op basis van de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de strafrechtsliteratuur onderscheidt dit hoofdstuk de volgende regulerende strafrechtbeginselen: het schadebeginsel, het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het effectiviteitsbeginsel, het beginsel dat strafrecht niet in strijd mag zijn met fundamentele rechten, het legaliteitsbeginsel, het daadstrafrechtbeginsel, het schuldbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel en het coherentiebeginsel. Deze beginselen versterken elkaar en dienen in onderling verband te worden beschouwd.
Opgemerkt zij dat het doel van dit onderzoek niet is de grondslagen als zodanig te theoretiseren en bediscussiëren. De beginselen zijn hier slechts een middel om de strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting te beoordelen. Dit neemt niet weg dat navolgende behandeling wel tot nader inzicht in de betekenis van de beginselen kan leiden en kan worden gebruikt bij de beoordeling van andere strafwetgeving. Ook al is de overheersende gedachte dat geen sluitend systeem van strafrechtelijke criteria bestaat op grond waarvan dwingend kan worden bepaald welke gedragingen strafbaar dienen te worden gesteld,6 de genoemde beginselen kunnen wel degelijk richting geven aan de inhoud en reikwijdte van strafbaarstellingen. Door hiervan gebruik te maken kan dan ook meer gefundeerd worden afgewogen wanneer een straf- rechtelijk verbod in de rede ligt, hoe dit verbod er uit dient te zien en wat de voor- en nadelen zijn.
De vragen die centraal staan in dit hoofdstuk zijn: wat houden de regulerende strafrechtbeginselen in en op welke wijze vormen de beginselen een begrenzing van de strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting?