Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.2.1
7.2.2.1 Bescherming van belang of schade?
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284643:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Dam 2013, p. 280 en Den Hollander 2016, p. 53. Vgl. ook R.J.B. Schutgens in zijn annotatie onder HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, JB 2019/187 (Schietincident Alphen a/d Rijn) onder 4 die verschil ziet tussen de vraag of de relativiteit vereist dat een norm een vermogensrechtelijke aanspraak wil geven of enkel dat het een bepaald belang wil beschermen. Zou de eerstgenoemde eis gesteld worden, dan zou de relativiteit zeer beperkend werken, omdat daarvoor vrijwel nooit hele duidelijke aanwijzingen zijn te vinden. Voor de bescherming van een bepaald belang zijn al sneller aanwijzingen te vinden. Bovendien spreekt ook de bestuursrechtelijke relativiteitsleer van art. 8:69a Awb van ‘belangen’ waartegen de norm kennelijk niet wil beschermen.
413. In de literatuur stelt men zich de vraag of de geschonden norm moet strekken tot bescherming van de schade of (enkel) tot bescherming van een bepaald belang. Achter die tweede invulling van de leer gaat de gedachte schuil dat een norm niet zozeer wil beschermen tegen bepaalde schade, maar naar haar aard wel of niet strekt tot bescherming van bepaalde privaatrechtelijke belangen die van bijzondere, beschermingswaardige, waarde geacht worden.1 Zodra dat belang door de geschonden norm is beschermd, is in deze benadering aan de relativiteitseis voldaan.
414. Het geldend relativiteitsvereiste richt zich volgens mij enkel op de schade. Ten eerste onderscheidt de Hoge Raad in zijn relativiteitsjurisprudentie geen beschermd belang. De Hoge Raad vereist, conform de tekst van art. 6:163 BW, dat de norm ‘strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden’. Ten tweede verhoudt een loutere ‘belang’-benadering zich slecht met het vereiste van de ontstaansrelativiteit. De ontstaansrelativiteit impliceert immers dat gekeken wordt naar de specifieke schade en de wijze waarop die is ontstaan. Daarmee verhoudt zich volgens mij niet dat reeds aan de relativiteitseis zou kunnen zijn voldaan als de norm een bepaald belang wil beschermen. Ik kan in ieder geval niet goed inzien wat de rol van de intredingswijze van de schade daarin zou moeten zijn.