Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/7.3.9
7.3.9 Nut van de ondernemingsactiviteit
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713234:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brunner, annotatie bij HR 6 november 1981, NJ 1982/567 (Bloedprik), nr. 2, sub 7. Instemmend: P-G Hartkamp in zijn conclusie bij HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:AU6934, NJ 2006/244 (Rottende uien), nr. 19.
De Jong & Van der Linden, NTBR 2017/2.
HR 6 november 1981, NJ 1982/567, m.nt. C.J.H. Brunner (Bloedprik).
Brunner, annotatie bij: HR 6 november 1981, NJ 1982/567 (Bloedprik), nr. 2, sub 7.
Zie ook: Van Dam 2000, p. 199, nr. 815. Zie ook: Brunner, annotatie bij: HR 6 november 1981, NJ 1982/567 (Bloedprik), nr. 2, sub 7.
Concl. A-G Spier, ECLI:NL:PHR:2010:BL3262, punt 9.10.1, bij: HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262, NJ 2015/343, m.nt. T. Hartlief (Enschedese vuurwerkramp).
Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, JOR 2021/208, m.nt. S.J.M. Biesmans (Milieudefensie/Shell).
Zie ook: Fleurke & Smeehuijzen, NJB 2018/1580, p. 2237-2238; Van Dijk 2007, p. 2868: “Een rechter zal niet snel aannemen dat de voorzienbaarheid van de schadelijkheid van de uitstoot voor een specifieke vervuiler zo groot is dat hij van dat gedrag af moet zien, mede ook omdat vele (grote) vervuilers, zoals elektriciteitscentrales of ook autofabrikanten een erkend nuttige functie in de maatschappij vervullen.”
Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, JOR 2021/208, m.nt. S.J.M. Biesmans (Milieudefensie/Shell), r.o. 4.4.40 en 4.4.42.
Ten achtste speelt het nut van de ondernemingsactiviteit een rol bij het bepalen van de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen. Dit gezichtspunt is expliciet genoemd in de gevaarzettingsleer, maar is ook relevant voor het leerstuk van de financiële aansprakelijkheid en de kwalitatieve aansprakelijkheid. Volgens Brunner moet gekeken worden naar het belang waarmee een specifieke schadeveroorzakende handeling wordt aangewend.1 Afhankelijk van het belang dat wordt gediend met de betreffende gedraging, kan een zorgplicht ruim dan wel strikt worden opgevat. Een gedraging die schade veroorzaakt, maar wel maatschappelijk nuttig is, is eerder geaccepteerd. Op die manier kleuren macro-belangen de zorgvuldigheidsnorm nader in.2 Illustratief is het Bloedprik-arrest,3 waarin een patiënt het ziekenhuis aansprakelijk stelde voor schade aan haar gebit. Deze beschadiging zou de patiënt hebben opgelopen toen zij, na het bloedprikken, flauw was gevallen. Volgens annotator Brunner was de bloedprik in het belang van de patiënt geweest, niet in het belang van de arts, en was daarom reden om geen onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis aan te nemen.4 Indien de gedraging is aangewend om het eigen belang of een commercieel belang te dienen, komt de daardoor veroorzaakte schade daarentegen al gauw voor rekening van de laedens.5 Toch betekent het voorgaande niet dat het nut van de gedraging een algemene rechtvaardiging vormt voor het veroorzaken van schade. Een maatschappelijk nuttige gedraging kan onder omstandigheden onzorgvuldig zijn. Daarbij moet de kanttekening gemaakt worden dat sommige ondernemers niet alleen handelen in hun eigen commerciële belang, maar ook een sociaal nuttige functie hebben. Heeft een onderneming een sociaal nuttige functie, dan moet terughoudend worden omgesprongen met de toepassing van de Kelderluikfactoren. Zo schreef A-G Spier bij het arrest Enschedese vuurwerkramp het volgende:
“Daarbij stip ik aan dat klakkeloze toepassing van de kelderluikcritera theoretisch wellicht ertoe zou kunnen leiden dat kerncentrales niet door de overheid mogen worden geduld, gezien de potentieel catastrofale schade als er iets ernstigs misgaat. Maar ik denk dat vrij algemeen zal worden aangenomen dat die opvatting niet juist is/kan zijn, al was het maar omdat kernenergie in veel landen politiek als een zinvolle bron van energie wordt gezien (wat het in bepaalde opzichten ook is), terwijl ze ook vrijwel aan gene zijde van de landsgrenzen staan zodat we het risico hoe dan ook lopen. Dat betekent dus dat voorzichtigheid past bij de mechanische toepassing van de magische kelderluik-formule, ongeacht de omstandigheden van het geval.”6
Een in het oog springend voorbeeld is de vermeende aansprakelijkheid van een groot olie- en gasbedrijf zoals Shell inzake klimaatverandering. In de rechtszaak die door Milieudefensie tegen Shell is aangespannen,7 betoogt Shell dat het nut van haar ondernemingsactiviteit (het voorzien van energie) groot is voor de maatschappij en dat daarom het stopzetten van haar bedrijfsactiviteiten te bezwaarlijk is.8 De rechtbank overweegt dat de wereld voor een ‘dubbele uitdaging staat’: enerzijds moet klimaatverandering worden tegengegaan en anderzijds moet iedereen toegang hebben tot energie.9 Het nut van de ondernemingsactiviteiten leidt echter niet tot de conclusie dat geen voorzorgsmaatregelen hoeven te worden genomen.