Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/3.3.3
3.3.3 Het geheimhoudingsbeding
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687180:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
F.B.J. Grapperhaus, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst’, TRA 2012/42; vergelijkbaar J.J.M. de Laat, ‘De Wet bescherming bedrijfsgeheimen en het geheimhoudingsbeding’, ArbeidsRecht 2018/37.
A.R. Houweling en C.J. Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, Den Haag: Bju 2011, p. 13-14; C.E.F.M. Gielen, Bescherming van bedrijfsgeheimen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 30.
A.R. Houweling (red.), G.W. van der Voet, J.H. Even en E. van Vliet, Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themata, Den Haag: Bju 2015, p. 348-349. Annotator Bungener wijst er in dat kader ook op dat wanneer een geheimhoudingsbeding voor bepaalde tijd is overeengekomen, na afloop van de looptijd op artikel 7:611 BW kan worden teruggevallen: Rb. Rotterdam 17 januari 2018, JAR 2018/61, m.nt. A.F. Bungener (Van Roosendaal Technisch Uitzendbureau/ex-werknemer c.s.).
H. Cohen de Boer, De concurrentie-clausule en hare internationale regeling, ’s-Gravenhage: Gebr. Belinfante 1931, p. 14.
A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst, tweede deel, ’s-Gravenhage: F.J. Belinfante 1908, p. 386-387. Om mij niet duidelijke redenen komt O. van der Kind, ‘Enkele gedachten over de waarde van het geheimhoudingsbeding’, in: J.H. Even e.a. (red.), Arbeidsrechtelijke bedingen, Themabundel Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 174, op basis van deze overwegingen in de wetsgeschiedenis tot een tegenovergestelde conclusie.
Kamerstukken I 2017/18, 34821, C, p. 5. Kritisch hierover: J.J.M. de Laat, ‘De Wet bescherming bedrijfsgeheimen en het geheimhoudingsbeding’, ArbeidsRecht 2018/37. Vergelijk ook Kamerstukken II 2021/22, 29544, nr. 1089, p. 11. De considerans van de richtlijn (onder 13) stelt overigens dat concurrentiebedingen tussen werkgever en werknemer aan het nationale recht worden overgelaten en maakt dus ook een onderscheid.
Hof ’s-Gravenhage 21 maart 2003, JAR 2003/140 (Verbeek/Gouden Gids); Hof Leeuwarden 26 mei 2009, JAR 2009/164, m.nt. M.S.A. Vegter (ECO-HT/Aede Stapensea); Rb. Alkmaar 17 juni 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BJ2784 (ex-werkgever/ex-werknemer); Rb. ’s-Hertogenbosch 14 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY3465 (ex-werknemer c.s./Maxfurn c.s.); Rb. Gelderland 16 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3560 (Geba Verhuur/ex-werknemer c.s.); Hof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2017, JAR 2017/107 (Ashworth Jonge Poerink c.s./Van Faassen); Rb. Noord-Nederland 14 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4789 (ABN AMRO/ex-werknemers).
C.I. van Gent, ‘Overige bedingen’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel I, Den Haag: Sdu 2015, p. 1031; O. van der Kind, ‘De verplichting tot geheimhouding als wapen tegen concurrentie door ex-werknemers’, ArbeidsRecht 2011/9. Ik verwijs hier terug naar hoofdstuk 3.2.1, waar schending van geheimhouding meespeelt bij de Boogaard/Vesta-toets. Voor een zeldzaam voorbeeld waarin een concurrentieverbod van zo’n acht maanden werd opgelegd wegens dreigende schending van het geheimhoudingsbeding (dus los van onrechtmatige concurrentie): Rb. Midden-Nederland 8 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3811 (ex-werknemer/ex-werkgever). Ook kan een ex-werknemer verboden worden gebruik te maken van vertrouwelijke kennis, zoals in Rb. Arnhem 29 juli 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN5631 (Royaan/ex-werknemer c.s.), Rb. Gelderland 16 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3560 (Geba Verhuur/ex-werknemer c.s.), Rb. Gelderland 21 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6488 (Transvision c.s./Ylvas c.s.) en Rb. Gelderland (vzr.) 20 november 2017, RAR 2018/55 (Knoop/ex-werknemer).
Geen concurrentiebeding en dus geen schriftelijkheidseis volgens H. Cohen de Boer, De concurrentie-clausule en hare internationale regeling, ’s-Gravenhage: Gebr. Belinfante 1931, p. 14; D.J.B. de Wolff, Goed werknemerschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 165; O. van der Kind, ‘De verplichting tot geheimhouding als wapen tegen concurrentie door ex-werknemers’, ArbeidsRecht 2011/9; A.R. Houweling (red.), G.W. van der Voet, J.H. Even en E. van Vliet, Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themata, Den Haag: Bju 2015, p. 348. Wel: F.B.J. Grapperhaus, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst – waartoe, waarvoor?’, ArA 2003/2, p. 22; F.R.H. Hollander, ‘Werknemersconcurrentie, hoe zit het met de bedrijfsgeheimen?’, Arbeid Integraal 2008/2, p. 65; C.J.J.C. van Nispen, Groene Serie Onrechtmatige daad, IV.5.2.11, wijst de postcontractuele goede trouw af als grondslag voor geheimhouding wegens het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW. F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 193, was eerst een andere mening toegedaan; het verschil tussen het concurrentie- en geheimhoudingsbeding zou temporeel zijn (tijdelijk/eeuwigdurend) en in nakoming verschillen (zichtbaar/vaak verborgen).
Onder meer: Rb. Amsterdam 16 augustus 1995, JAR 1995/208 (Greenpeace Nederland/Kotte); Hof Amsterdam 23 juli 2013, Prg. 2013/287 (ex-werkgever/ex-werknemer); Hof Amsterdam 2 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3668 (ex-werkgever/ex-werknemer); Hof Den Haag 24 november 2015, Prg. 2016/102 (ex-werknemer/KPN); Rb. Noord-Nederland 14 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4789 (ABN AMRO/ex-werknemers). Opmerkelijk in deze laatste uitspraak is dat de rechtbank overweegt dat de bankierseed onder de Wft, en dus ook de daarin opgenomen geheimhoudingsverplichting, na einde dienstverband niet langer van toepassing zou zijn. Ik zie niet in waarom deze geheimhoudingsverplichting zou komen te vervallen bij uitdiensttreding. Verder Rb. Noord-Holland 8 november 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11922 (CVMaker c.s./Resumedia c.s.).
Hof Amsterdam 2 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3668 (ex-werkgever/ex-werknemer); Rb. Arnhem 27 juni 2008, JIN 2008/523, m.nt. Zondag (Hectas Stafdiensten/ex-werknemer); J.L.R.A. Huydecoper e.a., Industriële eigendom, deel 1: bescherming van technische innovatie, Deventer: Kluwer 2016, p. 363. Vergelijk HR 14 januari 1935, NJ 1935, 430 (E.R.): het bestuur van de onderneming bepaalt ten aanzien waarvan geheimhouding wordt opgelegd. Aldus kan niet ‘worden ingezien, waarom een verbod, als hier was gegeven, om bijzonderheden aangaande eene onderneming, onverschillig van welken aard, bekend te maken, niet als grondslag voor het opleggen van de verplichting tot geheimhouding zou kunnen dienen’. Volgens O. van der Kind, ‘De verplichting tot geheimhouding als wapen tegen concurrentie door ex-werknemers’, ArbeidsRecht 2011/9, worden geheimhoudingsbedingen ten aanzien van alle informatie wel beperkt door het hebben van een belang aan de zijde van de ex-werkgever tot nakoming in een concreet geval. Vergelijkbaar E. Verhulp, Grondrechten in het arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 1999, p. 119.
Artikel 1 lid 3 van Richtlijn 2016/943/EU, Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 3, p. 16. Waar ervaring en vaardigheden ophouden en bedrijfsgeheimen beginnen is in de praktijk uiteraard niet altijd even duidelijk, aldus al P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 132.
F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 173, met uitgebreide verwijzingen naar literatuur en rechtspraak. Zo ook: P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deventer: Kluwer 2007, p. 79. Persoonlijke goodwill is ook geen goed in de zin van artikel 3:1 BW, aldus HR 31 mei 2002, NJ 2003/342, m.nt. H.J. Snijders (B/K).
P.J. van der Korst, Bedrijfsgeheimen en transparantieplichten, Deventer: Kluwer 2007, p. 80.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9659(Kanters Special Products/Intracare c.s.); Rb. Alkmaar 17 juni 2009, ECLI:NL:RBALK:2009:BJ2784 (ex-werkgever/ex-werknemer); Rb. Arnhem 29 juli 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN5631 (Royaan/ex-werknemer c.s.); Hof 28 september 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BW8209 (Rademaker/Kaak Nederland c.s.); Rb. ’s-Hertogenbosch 14 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY3465 (ex-werknemer c.s./Maxfurn c.s.). Zo ook: F.B.J. Grapperhaus, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst’, TRA 2012/42; J.L.R.A. Huydecoper e.a., Industriële eigendom, deel 1: bescherming van technische innovatie, Deventer: Kluwer 2016, p. 364.
Hof Arnhem 14 juli 1982, ECLI:NL:GHARN:1982:AM0751 (Vredestein/ST Cooperation c.s.); Rb. Tiel 25 april 2012, JAR 2012/140 (Rademaker/ex-werknemers).
Aldus ook annotator Van der Korst bij HR 22 juni 2007, NJ 2007/343, Ondernemingsrecht 2008/36, m.nt. P.J. van der Korst (Fisser/Tycho).
F.R.H. Hollander, ‘Werknemersconcurrentie, hoe zit het met de bedrijfsgeheimen?’, Arbeid Integraal 2008/2, p. 54; O. van der Kind, ‘De verplichting tot geheimhouding als wapen tegen concurrentie door ex-werknemers’, ArbeidsRecht 2011/9; A.M. Helstone, ‘De reikwijdte van de geheimhoudingsplicht’, ArA 2013/2, p. 63.
Zo ook P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 161-162.
Aldus ook S.S.M. Peters, ‘Concurrentiebeding, relatiebeding en schriftelijkheidseis: een rocky road voor de werkgever’, AR Updates annotaties 2017-0245. Vergelijk verder: W.H.A.C.M. Bouwens, M.S. Houwerzijl en W.L. Roozendaal, Schets van het Nederlandse arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 91, en D.J.B. de Wolff, Goed werknemerschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 172, welke in zijn algemeenheid stellen dat een geheimhoudingsbeding enkel een artikel 7:653 BW-beding is als het aan de daarin genoemde criteria voldoet.
Een geheimhoudingsbeding bevat de verplichting om bedrijfsgeheimen geheim te houden. Postcontractuele beperkende bedingen treden doorgaans pas in werking ten tijde van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Het geheimhoudingsbeding daarentegen is vrijwel altijd een doorlopend beding, dat al bestaat tijdens de arbeidsrelatie en eenvoudigweg daarna blijft voortbestaan, soms voor bepaalde, maar vaak voor onbepaalde tijd.
Bij een doorlopend beding zou de toepasselijkheid van artikel 7:653 BW pas aan de orde kunnen zijn na afloop van de arbeidsovereenkomst. Maar is een geheimhoudingsbeding een beding dat de ex-werknemer beperkt om op zekere wijze werkzaam te zijn? Er zijn argumenten voor en tegen te bedenken. Voor pleit een helder argument: een ex-werknemer heeft een zekere beperking in zijn concurrentiemogelijkheden met de ex-werkgever als hij gebonden is aan een geheimhoudingsverplichting. Hij is beperkt in het overdragen van de kennis die onder zijn geheimhoudingsbeding valt aan zijn nieuwe werkgever.1 Tegen pleit dat een geheimhoudingsbeding iemand als zodanig niet verbiedt om elders te werken.2 Tegen pleit ook dat als een geheimhoudingsbeding als concurrentiebeding zou kwalificeren, het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW naar binnen wordt gehaald en een geheimhoudingsbeding dus kan vervallen bij het ‘zwaarder gaan drukken’ daarvan door bijvoorbeeld een functiewijziging. Bovendien zou als gevolg van de Wwz een geheimhoudingsbeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gemotiveerd moeten worden (artikel 7:653 lid 2 BW). Dat lijkt weinig logisch gezien de aard van het geheimhoudingsbeding. Verder is het – zie hoofdstuk 2 – aannemelijk dat er al een postcontractuele plicht tot geheimhouding volgt uit artikel 7:611 BW. Dat de postcontractuele werking van artikel 7:611 BW ten aanzien van geheimhouding vervolgens beperkt wordt door artikel 7:653 BW, ligt niet voor de hand.3 Tot slot kun je erop wijzen dat waar een concurrentiebeding met name preventief werkt, een geheimhoudingsbeding repressief, achteraf, werkt.4
De wetsgeschiedenis van 1907 wijst erop dat een geheimhoudingsbeding géén concurrentiebeding is. Minister Van Raalte stelde dat een concurrentiebeding als zodanig beoogt te voorkomen dat een ex-werknemer inlichtingen geeft aan zijn nieuwe werkgever om beter te kunnen concurreren met zijn ex-werkgever. Daar overlapt het geheimhoudingsbeding onmiskenbaar met het concurrentiebeding. Dat een geheimhoudingsbeding niet onder artikel 7:653 BW valt, blijkt echter uit zijn daaropvolgende overweging dat een wettelijk verbod op concurrentiebedingen tot gevolg zou hebben dat werkgevers massaal hun toevlucht zouden nemen tot geheimhoudingsbedingen.5 Dat laatste achtte hij bezwaarlijk vanwege de strafbaarstelling bij overtreding – een bezwaar dat overigens inmiddels wel is achterhaald gezien het massale gebruik van geheimhoudingsbedingen zonder dat dit tot veel vervolgingen leidt. In recentere tijden stelde de minister dat een concurrentiebeding enkel onder de Wet bescherming bedrijfsgeheimen valt voor zover deze een geheimhoudingsbeding bevat.6 Beide bedingen hebben een ander oogmerk, aldus de minister.7
De (lagere) rechtspraak lijkt er weinig problemen mee te hebben, in die zin dat een beroep op de kwalificatie als artikel 7:653 BW-beding steeds wordt afgewezen.8 Enkel kan in uitzonderlijke gevallen, bij een reële dreiging van (verdere) schending van het geheimhoudingsbeding, het de ex-werknemer op die basis worden verboden om voor de concurrent werkzaam te zijn.9 Zo lang duidelijkheid van de Hoge Raad ontbreekt, blijft de kwalificatievraag desondanks van belang. De vrijwel eensgezindheid in de lagere rechtspraak wordt namelijk zeker niet gedeeld in de literatuur, die een verdeeld beeld laat zien van voor- en tegenstanders, die al dan niet aan de argumenten voor of tegen het meeste gewicht doen toekomen.10
Ik meen zelf dat niet in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat een geheimhoudingsbeding per definitie een concurrentiebeding is. Het ene geheimhoudingsbeding is immers het andere niet en wat een ex-werknemer precies mag en niet mag is primair een kwestie van uitleg van het beding.11 Een verbod op het enkel niet mogen openbaren van bedrijfsgeheimen gaat bijvoorbeeld minder ver dan een geheimhoudingsbeding waarin het de ex-werknemer wordt verboden om ‘al hetgeen hem ter kennis is gekomen in het kader van de arbeidsverhouding’ te openbaren. Een dergelijk verbod wil de vertrouwelijkheid beschermen van alle gegevens die de bedrijfsvoering van de onderneming betreffen, waarmee de werknemer als gevolg van zijn functie bekend is geraakt en die buiten de onderneming niet bekend zijn.12 Dat verbod valt niet onder artikel 7:653 BW, al zou dat wellicht wel wenselijk zijn vanuit het perspectief van bescherming van de ex-werknemer. Waar het naar mijn mening wel onder de reikwijdte van artikel 7:653 BW valt, is als een geheimhoudingsbeding een verbod bevat op het gebruikmaken van persoonlijke ervaring en vaardigheden. Zo’n verbod valt niet onder de Wet bescherming bedrijfsgeheimen13 en dat strookt met hoe daar in Nederland al sinds jaar en dag over wordt gedacht. Een werknemer doet gedurende het dienstverband persoonlijke kennis en ervaring op, waaronder persoonlijke goodwill. Algemeen aanvaard is dat dit onvervreemdbaar aan de ex-werknemer toekomt en door hem mag worden gebruikt, ook als dit ten koste komt van het bedrijfsdebiet van de ex-werkgever.14 Dat neemt niet weg dat het onder Nederlands recht mogelijk is om een ex-werknemer in een geheimhoudingsbeding te verbieden persoonlijke kennis en ervaring te gebruiken,15 evenals het partijen vrijstaat om het omgekeerde overeen te komen (de zogeheten ‘residual knowledge’-clausule). In de rechtspraak is aangenomen dat het gebruik van kennis en ervaring niet onder een algemeen geformuleerd geheimhoudingsbeding valt,16 tenzij op onderdelen specifiek overeengekomen.17 Als er sprake is van zo’n specifiek verbod, wordt het uiteraard wel erg moeilijk voor een ex-werknemer om elders werkzaam te zijn.18 In de literatuur is wel gesteld dat het gebruikmaken van kennis en ervaring enkel kan worden verboden middels een concurrentiebeding, aangezien dit niet zou passen binnen de reikwijdte van een geheimhoudingsbeding.19 Daar ben ik het mee eens: wezen gaat boven schijn. Hier wordt de grens overschreden waar een geheimhoudingsbeding als een artikel 7:653 BW-beding moet worden gezien. Een verbod op het gebruik van persoonlijke kennis en ervaring na afloop van de dienstbetrekking kan onmiskenbaar niet worden afgeleid uit de postcontractuele werking van artikel 7:611 BW20 en zal niet het geheimhoudingsbeding zijn dat de wetgever in 1907 voor ogen had. Gezien de praktische beperking om elders werkzaam te zijn zonder gebruikmaking van kennis en ervaring, ligt de toepasselijkheid van artikel 7:653 BW in dit soort situaties voor de hand.
Een geheimhoudingsbeding is dus niet per definitie een artikel 7:653 BW-beding, maar kan dat afhankelijk van de inhoud wel geheel of gedeeltelijk zijn.21 Voor zover het gebruik van persoonlijke kennis en ervaring wordt verboden is het een artikel 7:653 BW-beding, maar voor zover het openbaren en gebruiken van bedrijfsgeheimen worden verboden niet.