Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.5.2.d
8.5.2.d Beperkingen in de bezwaarfase
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362881:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, onder 6.3.8, p. 146.
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 februari 2016, nr. BLKB2016/19, NTFR 2016/929, paragraaf 9 horen in bezwaar (artikel 7:2 van de Awb).
Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, MvT, onder 6.2.5, p. 130.
HR 22 januari 2021, nr. 19/03309, V-N 2021/6.14.
Zie ook: HR 8 augustus 2008, nr. 42.827, NTFR 2008/1546.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, onder 6.3.8, p. 146-147.
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, onder 6.3.7, p. 145.
De Awb kent ook beperkingen van het recht het standpunt kenbaar te mogen maken in de bezwaarfase. Van het horen van een belanghebbende in de bezwaarfase kan ingevolge artikel 7:3 van de Awb worden afgezien als:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is;
het bezwaar kennelijk ongegrond is;
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord;
de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord; of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Blijkens de parlementaire geschiedenis wordt met dit artikel een aantal uitzonderingen geformuleerd op de hoofdregel waarin het horen van de betrokken belanghebbende achterwege kan blijven, wanneer dit voor een zorgvuldige heroverweging en besluitvorming niet nodig is.1
Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Een bezwaar kan niet-ontvankelijk worden verklaard, als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of het bezwaar geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15 van de Awb (elektronisch bezwaar of beroep terwijl die mogelijkheid niet is opengesteld), mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn (artikel 6:6 van de Awb). Van kennelijk niet-ontvankelijkheid is pas sprake als redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de niet-ontvankelijkheid. Staat de niet-ontvankelijkheid vast, ongeacht wat een belanghebbende nog op een hoorzitting naar voren zou kunnen brengen, dan kan van het horen worden afgezien. Blijkens de parlementaire geschiedenis kan hiervan sprake zijn als bijvoorbeeld bezwaar wordt gemaakt door iemand die kennelijk geen enkel belang bij het desbetreffende besluit heeft. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is neergelegd dat de inspecteur de belanghebbende hoort als er redelijkerwijs twijfel is of het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.2 Als sprake is van een te laat ingediend bezwaar, leidt dat niet automatisch tot een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Er kan immers sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding.3 Als de belanghebbende geen bijdrage meer kan leveren die tot een ontvankelijk verklaring kan leiden, zal de belanghebbende niet in de verdediging zijn geschaad door het niet horen. Het betreft een individuele toets die volgens de parlementaire geschiedenis niet snel zal leiden tot het uitsluiten van het horen. Uit het onderzoek naar de codificatie van het kenbaarmakingsbeginsel in het DWU is gebleken dat ten aanzien van bepaalde gebonden beschikkingen (zoals tariefcontingenten, paragraaf 2.2.2) ook een beperking is opgenomen van het kenbaarmakingsbeginsel. De in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb neergelegde beperking zal een gerechtvaardigde beperking zijn van het kenbaarmakingsbeginsel.4
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb
Van het horen van een belanghebbende kan ook worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.5 Volgens de parlementaire geschiedenis is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift direct blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.6 Een bestuursorgaan moet zeer terughoudend omgaan met het afzien van het horen. De bezwaarprocedure is een fase van algehele heroverweging van het bestreden besluit en de kans bestaat dat andere gronden wel tot herziening van het besluit kunnen leiden.7 Van het horen kan worden afgezien als bijvoorbeeld aan het bezwaar tegemoetkomen in strijd komt met een wettelijk voorschrift, als sprake is van een bezwaar tegen een afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat er gewijzigde omstandigheden zijn of als een bezwaar zich richt tegen een besluit dat geheel in overeenstemming is met eerder door de rechter reeds goedgekeurd beleid. De in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb neergelegde beperking zal net als artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb naar verwachting een gerechtvaardigde beperking zijn van het kenbaarmakingsbeginsel.
Artikel 7:3, aanhef en onder c en d van de Awb
Van het horen van een belanghebbende in de bezwaarfase kan worden afgezien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Deze twee mogelijkheden houden geen beperking in van het recht het standpunt kenbaar te mogen maken. Het betreft hier de expliciete of impliciete afstand die de belanghebbende kan doen van zijn recht.
Artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb
Ten slotte kan van het horen worden afgezien als aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Als aan alle bezwaren tegemoet wordt gekomen, is geen sprake meer van een bezwarend besluit. Dit hoeft niet in te houden dat het besluit geheel is vernietigd. De bezwaren kunnen een deel van het besluit betreffen. Er is sprake van een individuele toets. Bovendien komt het doel van zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming niet in het gedrang als de belanghebbende krijgt waar hij om vraagt. Ik ben van mening dat deze beperking van het recht het standpunt kenbaar te mogen maken een gerechtvaardigde beperking is van het kenbaarmakingsbeginsel.