Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/7.4.8.4
7.4.8.4 Preventieve werking in aansprakelijkheidsrecht: toepasbaar op procesgedrag?
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS596743:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Visscher 2006, p. 296.
Visscher 2006, p. 289-292.
Visscher 2006, p. 292-296.
Visscher 2006, p. 303.
Zie hierboven; zie ook Jolls, Sunstein & Thaler 1998, p. 1493-1495 en p. 1498.
Daarbij moet bewijs voor de conclusie dat kosten partijgedrag in enige mate beïnvloeden niet worden verward met bewijs voor de hypothese dat partijen zich precies in die mate laten beïnvloeden als de rationelekeuzetheorie voorspelt.
De eerder besproken theoretische (rechtseconomische) parallel tussen buitencontractuele aansprakelijkheid en afschrikking van verstorend procesgedrag houdt daarentegen wel stand.
Visscher (2006) geeft een overzicht van empirische onderzoeken naar de preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht. De resultaten daarvan zijn verschillend per ongevalcategorie en spreken elkaar zelfs op hetzelfde gebied soms tegen.1 Bij verkeersongevallen lijken studies naar aansprakelijkheid versus no fault compensation schemes er op te wijzen dat bij de laatste vorm meer (dodelijke) ongevallen plaatsvinden door de preventieve werking die aansprakelijkheid wel biedt en no fault niet.2 Bij product-, milieu-, werkgevers-, en medische aansprakelijkheid zijn positieve preventieve effecten empirisch niet hard gemaakt.3 Visscher waarschuwt echter dat het gebrek aan hard empirisch bewijs voor de preventieve werking niet moet worden gezien als bewijs voor het tegendeel: geen preventieve werking.4 Gebrek aan cijfermateriaal en de moeilijkheid van het isoleren van effecten van aansprakelijkheid (waarbij wordt gecorrigeerd voor effecten van strafrecht, bestuursrecht, reputatie en andere moeilijk meetbare factoren) zorgen dat empirisch bewijs lastig te leveren is.
Daarenboven ligt de vertaalslag van ongevallen naar verstorend procesgedrag minder voor de hand. De keuze voor een bepaalde rijstijl of voor een manier om een medische handeling te verrichten, is anders van aard dan de keuze voor een bepaalde processuele gedraging. Het emotionele belang om bij een ander geen letsel toe te brengen speelt in een civiele procedure niet mee; sterker nog, vaak is men ook emotioneel in conflict met de wederpartij en kan schade bij de ander juist als positief worden ervaren.5
Bovendien worden beslissingen in het verkeer en bij de operatietafel vaak in een split-second of routinematig genomen, terwijl over tactische procesbeslissingen meestal eerst wordt nagedacht of zelfs gedelibereerd.
Misschien wel het belangrijkste verschil is dat op de werkvloer en in het verkeer minder zal worden nagedacht over civielrechtelijke consequenties, mede doordat de civiele rechter en schadevergoeding ver weg (buiten het gezichtsveld) liggen, terwijl bij gedrag in een reeds aangevangen civiele procedure de juridische context al aanwezig is. Sterker nog, proceskosten spelen vaak bij aanvang van de procedure al een cruciale rol bij de te kiezen processtrategie. Dat proceskosten gedrag beïnvloeden blijkt ook uit de onderzoeken van Hughes & Snyder (1995) over de Amerikaanse versus de Engelse regel en dat van Marshall, Kritzer & Zemans (1992) over Rule 11 FRCP, die nader worden besproken in respectievelijk § 7.5 en § 7.6.1.6
Het generaliseren van resultaten van empirische7studies met betrekking tot aansprakelijkheid bij ongevallen naar de context van de aanpak van procesgedrag is daarom weinig vruchtbaar. Het heeft meer zin om naar empirisch onderzoek te kijken dat rechtstreeks op de effecten van kosten(consequenties) in het civiele proces ziet.