Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.4.6
3.4.6 Een supervoorrang voor het aanschaffinancieringspandrecht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399688:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze en andere constructies en de daaraan verbonden bezwaren hierna in hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.
De regel van art. 3:261 lid 1 BW heeft zijn oorsprong weliswaar in de gedachte dat het hypotheekrecht door de verkoper wordt voorbehouden, maar van die constructie heeft het artikel zich losgemaakt. Zie Van Nierop 1937, p. 199-200 en A.J.H. Pleysier, ‘Waarom maken wij niet meer gebruik van de artikelen 1227 en 1228 BW’, WPNR 1977 (5397), p. 437 en Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 172. Kritisch over die constructie Roes 1970, p. 46-47. De bepaling is gegrond op de beschermenswaardigheid van de verkoper, die de aanschaf financiert. Zie Van Nierop 1937, p. 199-202, Roes 1970, p. 47 en Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 172. Zoals in de hoofdtekst wordt verdedigd, geldt dat evenzeer als een derde de aanschaf financiert. Zie voor de discussie of een door een derde bedongen zekerheidsrecht dat in het kader van de financiering van de aanschaf van een onroerende zaak is bedongen – net als een door de verkoper bedongen Restkaufgeldhypothek – een hogere rang heeft dan een Sicherungshypothek die ontstaat ten gunste van degene die beslag heeft gelegd op de Auflassunganwartschaft (kort gezegd: de beschermde rechtspositie van degene ten gunste van wie een leveringsakte is verleden m.b.t. een onroerende zaak, die slechts nog moet worden ingeschreven) van de koper met verdere verwijzingen F. Baur & R. Stürner, Zwangsvollstreckungs-, Konkurs- und Vergleichsrecht. Band I: Einzelvollstreckungsrecht, Heidelberg:C.F. Müller 1995, p. 385-386.
In die richting echter Kortmann & Van Hees 1995a, p. 993-994 ten aanzien van de de door sommigen geopperde beperking van de sale-and-lease-back-constructie tot aanschaffinanciering.
Vgl. Struycken 1996a, p. 344, voetnoot 36 en Rongen 2012, p. 833, voetnoot 155.
Zie met verdere verwijzingen G.T. McLaughlin, ‘Qualifying as a Third-Party Purchase-Money Financier: The Hurdles to Be Cleared, the Advantages to Be Gained’, Uniform Commercial Code Law Journal 1981, p. 225-255 en McAlister 1993, p. 670.
Gilmore 1963, p. 1373.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat er een overtuigende rechtvaardiging bestaat voor de positie van de verkoper, die een eenvoudig eigendomsvoorbehoud heeft bedongen. Het eigendomsvoorbehoud heeft een neutrale werking, waardoor de overige schuldeisers niet worden benadeeld. Bovendien is sprake van een nauwe band tussen de verkochte zaak en de vordering van de verkoper, die voortvloeit uit het feit dat het door de verkoper verschafte krediet betrekking heeft op de aanschaf van de door hem verkochte zaak. Uit de vergelijking met het recht van de Verenigde Staten is gebleken dat deze argumenten evenzeer opgeld doen in het geval dat de aanschaf van een zaak niet door de verkoper wordt gefinancierd, maar door een derde die de koper de middelen verschaft om de koopprijs te voldoen.
Het geldende Nederlandse recht biedt deze derde echter niet de mogelijkheid om een pandrecht te bedingen, waaraan een voorrang is verbonden die rekenschap geeft van het feit dat de zaak door de prestatie van hem is verkregen. Hij is genoodzaakt terug te grijpen op een meer gekunstelde constructie teneinde een voorrangspositie te verwerven, door bijvoorbeeld de zaak eerst zelf te verwerven of zich de voorbehouden eigendom en de koopprijsvordering door de verkoper te laten overdragen.1 De derde die de koopprijs financiert kan er echter ook belang bij hebben een zekerheidsrecht voor de voldoening van de koopprijsvordering te verkrijgen. Gelet op de hiervoor besproken argumenten ten gunste van de voorrangspositie van de verkoper, is het gerechtvaardigd dat een dergelijk pandrecht voorrang heeft boven alle andere gevestigde zekerheidsrechten, omdat de koper de zaak slechts door middel van de financiering van de derde heeft kunnen verwerven.
Ik zou dan ook willen pleiten voor een wettelijke voorziening, op grond waarvan aan een supervoorrang wordt toegekend aan een door de aanschaffinancier bedongen pandrecht op de gefinancierde zaak, voor zover dit pandrecht strekt tot zekerheid van de terugbetaling van de door de derde beschikbare middelen, wanneer deze zijn aangewend voor de aanschaf van de zaak waarop het pandrecht rust.
Enigszins in die richting gaat artikel 3:261 lid 1 BW, op grond waarvan een bij de koopovereenkomst van een registergoed tot waarborg van de onbetaalde kooppenningen bedongen hypotheekrecht voorrang heeft boven alle andere aan de koper ontleende (hypotheek)rechten. Aldus wordt bereikt dat een door de verkoper bedongen hypotheekrecht ter zake van de verschuldigde koopprijs voorgaat boven ieder ander recht dat tegelijkertijd wordt ingeschreven. Tegen de achtergrond van de hiervoor gegeven rechtvaardiging voor de voorkeursbehandeling van aanschaffinanciering, valt evenwel niet goed in te zien waarom hetzelfde niet eveneens zou moeten gelden indien de koopprijs niet door de verkoper, maar door een derde wordt gefinancierd.2
In een dergelijk systeem zou voor de verkrijging van de supervoorrang noodzakelijk zijn dat de door de aanschaffinancier beschikbaar gestelde middelen daadwerkelijk zijn benut om de zaak aan te schaffen. Daartegen kan niet worden ingebracht dat een zodanige bepaling zou leiden tot onzekerheid omtrent de vraag wanneer daaraan is voldaan,3 aangezien hanteerbare criteria kunnen worden ontwikkeld om vast te stellen wanneer voldaan is aan dat vereiste.4 Dat een dergelijk criterium werkbaar is, illustreert bovendien de Amerikaanse praktijk, waarin een dergelijk criterium reeds wordt gehanteerd: voor de kwalificatie als purchase money obligation is vereist dat sprake is van een close nexus tussen de aanschaffing van de zaak en de beschikbaar gestelde kredietsom.5 Daarvan is in ieder geval sprake indien de som geld rechtstreeks door de financier is uitbetaald aan de verkoper.6