De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.5.3:7.5.3 Afsluiting
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.5.3
7.5.3 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174173:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alle raadkameroverleggen werden afgesloten met een beslissing, hoewel die niet altijd de eindbeslissing in de zaak was. Een afsluiting zonder eindbeslissing kwam voor als partijen meer tijd werd gegeven om tot een oplossing te komen of omdat een regeling was overeengekomen die bij nakoming een vonnis overbodig zou maken. Op de achtergrond bleef echter altijd de gang naar de rechter en het juridisch oordeel open – in rechtssociologische termen de shadow of the judgment dan wel shadow of the law. Hiervan gaat enerzijds een zekere dreiging uit, namelijk dat partijen er goed aan kunnen doen een oplossing overeen te komen die aan hen beiden tegemoetkomt, zodat geen van hen met lege handen achterblijft. Anderzijds is de zekerheid van een route naar de rechter een geruststelling. Partijen vergewissen zich er immers van dat ze bij onderhandelingen geen oplossing hoeven te aanvaarden die afbreuk doet aan hun rechtsgevoel of gevoel voor rechtvaardigheid. Het doorhakken van de knoop kan altijd aan de rechter worden overgelaten.
In negen van de tien zaken waarvan de zitting is geobserveerd, is uiteindelijk vonnis gewezen. In vijf gevallen werd het vonnis geconcipieerd door de griffier; in drie gevallen door een rechter (door een voorzitter, een oudste rechter respectievelijk een jongste rechter); in één geval is onbekend wie het vonnis geschreven heeft. In alle zaken waarin een ervaren griffier de rechters bijstond, was hij degene die het vonnis concipieerde. Degene die het vonnis schreef, maakte tijdens het raadkameren aantekeningen; de anderen deden dat spaarzaam of niet. Soms werd tijdens het raadkameren bepaald wie het vonnis zou schrijven, maar in de meeste gevallen was dit van tevoren al beslist. Vaak was degene die het vonnis ging schrijven een rechter of griffier die eerder in de zaak betrokken was geweest of tijd had om dat te doen. De vooronderstelling zou kunnen bestaan dat de concipiënt van het vonnis zich tijdens het raadkameroverleg anders opstelt dan de andere deelnemers aan het beraad. Zo is denkbaar dat de concipiënt nadrukkelijk de juridische onderbouwing wenst te horen van een voorgenomen beslissing, zodat het door hem te schrijven conceptvonnis zoveel mogelijk overeenkomt met de ideeën van de kamer die over de zaak beslist. Dit brengt mee dat bij voltooiing het conceptvonnis zo min mogelijk hoeft te worden bediscussieerd en aangepast. Van een andere opstelling van de concipiënt tijdens het raadkameroverleg dan die van de overige leden van de raadkamer is echter niet gebleken.
Acht maal had de meervoudige kamer ter zitting aangekondigd dat het vonnis zou worden toegezonden. Zeven keer daarvan noemde de voorzitter een concrete datum. De achtste keer sloot de voorzitter af met: ‘U hoort nog van ons!’ Vóór de genoemde datum moest het concept dus worden geschreven, rondgestuurd, beoordeeld door de (andere) rechters, eventueel opnieuw bediscussieerd en uiteindelijk gewezen. Navraag wees uit dat rechters slechts één keer opnieuw om de tafel zijn gaan zitten om de zaak inhoudelijk te bespreken.