Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.4.3:8.4.3 Het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.4.3
8.4.3 Het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362872:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, MvT, p. 99.
HR 19 juni 2020, nr. 18/03982, V-N 2020/29.20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde deelaspect van het kenbaarmakingsbeginsel is het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging. In de Awb is hierover niet expliciet iets geregeld. Wel wordt aangenomen dat de artikelen 4:7 tot en met 4:9 van de Awb impliciet voorzien in de mogelijkheid voor een bestuursorgaan een termijn te stellen waarbinnen de belanghebbende een standpunt kenbaar moet hebben gemaakt.1 De bestuursorganen kunnen dus voor de voorfase een termijn stellen en als de belanghebbende niet binnen deze gestelde termijn reageert, dan mag het bestuursorgaan een besluit nemen op grond van de ter beschikking staande gegevens. Daarnaast bestaat voor de bezwaarfase op grond van de artikelen 6:4 en 6:7 van de Awb een termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en bij een pro forma bezwaarschrift een termijn voor het herstellen van het verzuim en het alsnog indienen van de gronden. Een verzoek om uitstel van het indienen van de gronden is ook nog een mogelijkheid. De termijnen in de bezwaarfase zijn niet in strijd met het kenbaarmakingsbeginsel. Voor de voorfase hangt dit oordeel af van de termijn die een belanghebbende in de praktijk daadwerkelijk krijgt. Er zijn geen signalen dat die termijn in zijn algemeenheid te kort zou zijn. In een specifieke casus kan daarvan wel sprake zijn bij bijvoorbeeld een termijn van één dag of drie dagen.2 Een dergelijke korte termijn wordt als een beperking van het recht op voldoende tijd ter voorbereiding van de verdediging gezien.