Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.1.2
6.3.3.1.2 Communautaire middelen
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496625:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ik ga ervan uit dat met ‘communautaire middelen’ gedoeld wordt op de zogeheten ‘eigen middelen’. Dit zijn de middelen waarmee de volledige begroting van de EU gefinancierd wordt (art. 311 VWEU). De samenstelling van de eigen middelen en de wijze van toedeling zijn opgenomen in het Eigen Middelenbesluit. In het Eigen Middelenbesluit zijn drie middelen vastgesteld: (i) douanerechten en landbouwheffingen (de zogenaamde traditionele eigen middelen), (ii) btw-afdrachten en (iii) BNI-afdrachten. Zie uitgebreid Heijnen 2015.
Zie paragraaf 43.4 van de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (te downloaden via www.belastingdienst.nl). Dit volgt tevens uit het gegeven dat deze voorwaarde per 1 juli 1992 in de toenmalige Leidraad Invordering 1990 (de voorloper van de Leidraad Invordering 2008) is opgenomen, per welke datum de leidraad in verband met de inwerkingtreding van de (toenmalige) Wet houdende wijziging van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen en enkele andere wetten is aangepast (Kamerstukken II 1992/93, 22721).
Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Invorderingswet, art. 26, aant. 4.8.7. Voor het Unierechtelijk kwijtscheldingsregime verwijs ik naar art. 236 e.v. Communautair Douanewetboek. Hieruit volgt dat kwijtschelding van douanerechten vrijwel niet tot de mogelijkheden behoort met onvermogen tot betaling als motief.
Wat betreft de btw dragen lidstaten een klein percentage (thans: 0,3%) van een (statistisch) geharmoniseerde grondslag af aan de EU. Ondanks de procentueel geringe bijdrage gaat het bij de btw-afdrachten nominaal om substantiële bedragen. Zie bijvoorbeeld www.europa-nu.nl.
De (statistisch) geharmoniseerde grondslag wordt voorgeschreven in Unierechtelijke voorschriften en wordt gevonden door de totale netto jaarlijkse btw-opbrengst van een lidstaat (i) te delen door het gewogen gemiddelde btw-tarief (dit laatste is een schatting van het gemiddelde btw-tarief dat van toepassing is op de verschillende categorieën btw-belaste goederen en diensten en vervolgens (ii) te vermeerderen of verminderen met bepaalde compensaties. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar Europese Commissie, European Union Public Finance (vijfde editie), Luxembourg: Publications Office of the European Union 2014, ook te downloaden in de digitale boekenwinkel van de EU (www.bookshop.europa.eu).
Hoewel de btw tot de communautaire middelen kan worden gerekend,1 kan uit de juridische context2 worden opgemaakt dat enkel gedoeld wordt op douanerechten. Met andere woorden: de Belastingdienst verleent bij een crediteurenakkoord geen kwijtschelding, indien en voor zover de belastingschuld uit douanerechten bestaat. De achterliggende gedachte hierbij is dat voor het kwijtschelden van douanerechten reeds op Unierechtelijk niveau afzonderlijke regels gelden, waarvan lidstaten in principe niet mogen afwijken.3 Indien lidstaten namelijk de vrijheid zouden hebben om op grond van nationale regels (deels) kwijtschelding te verlenen, zou dit namelijk een direct effect hebben op de begroting van de EU. Anders dan btw4 dienen douanerechten namelijk volledig door lidstaten te worden afgedragen aan de EU. Toch dient men zich te realiseren dat ook de btw-afdracht aan de EU afhankelijk is van de netto btw-opbrengst van een lidstaat5 en het niet (geheel) innen van de btw-schuld dus ook (deels) ten laste komt van de EU. Had van het akkoord dan niet ook de btw-vordering van de Belastingdienst uitgesloten moeten worden?
Hoewel deze vraag zich wellicht het meest leent om in paragraaf 6.3.3.3 (verhouding tot het Unierecht) te worden beantwoord, sta ik omwille van de leesbaarheid van dit onderdeel hierbij reeds in navolgende paragraaf stil.