Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/9.4.2
9.4.2 Toewijzing dwingt de rechter tot een keuze in een kwestie waarover nog onvoldoende maatschappelijke consensus bestaat
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233767:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Uzman en Stolker 2009, p. 487.
HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1607, NJ 1995/430, m.nt. Stein (Godfried/ISS).
HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0424, NJ 2005/117, m.nt. Heerma van Voss (Van Pelt en anderen/Martinair).
Hof Den Haag 2 juni 1989, ECLI:NL:GHSGR:1989:AB8024, NJ 1989/871, r.o. 14.
HR 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1260, NJ 1992/129, m.nt. Alkema en Luijten, r.o. 3.6.
Zie ook Waaldijk 2016, p. 285.
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Van Veen (Euthanasie Alkmaar).
Zie ook Rozemond 2010, p. 233; Waaldijk 2016, p. 287.
Rb. Gelderland 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3976.
Hof Den Bosch 31 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:345, onder 4.
HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:598, NJ 2019/336, m.nt. Mevis.
Vgl. Rozemond 2015, p. 236-237.
Een andere reden die de rechter tot terughoudendheid kan nopen en die voor dit onderzoek interessant is, is het ontbreken van maatschappelijke consensus over het onderwerp van het voorliggende geschil. Zoals Uzman en Stolker opmerken, geldt in de meeste democratieën als uitgangspunt dat het aan de wetgever is om het bestaande recht zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de maatschappelijke opvattingen. De rechter dient zich daarom terughoudend op te stellen indien een geschil raakt aan een onderwerp of kwestie waarover de opvattingen in de maatschappij sterk uiteenlopen. Doet hij dat niet, dan loopt de rechter het risico dat hij zijn persoonlijke opvatting aan de rest van de maatschappij opdringt.1
Uzman en Stolker noemen ter illustratie een zaak waarin een schoonmaakster stelde dat haar ontslag vanwege het bereiken van de vijfenzestigjarige leeftijd discriminatoir en daarom onrechtmatig was. De Hoge Raad volgde dit betoog niet en nam daarbij mede in aanmerking dat het in de maatschappij breed aanvaard was dat een dienstbetrekking eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.2 Tot een vergelijkbaar oordeel kwam hij in een zaak over het vervroegd met pensioen sturen van piloten. Ook in dit geval was volgens de Hoge Raad terughoudendheid geboden, nu sprake was van een breed gedeelde opvatting in de maatschappij dat verkeersvliegers eerder met pensioen dienen te gaan.3
De maatschappelijke opvattingen kunnen ook bij zaken over politiek en maatschappelijk meer gevoelige onderwerpen tot terughoudendheid nopen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de openstelling van het homohuwelijk. Het Haagse gerechtshof dat begin jaren negentig hierover had te oordelen, nam daarbij onder meer in aanmerking dat openstelling van het huwelijk voor homoparen een belangrijke wijziging zou betekenen van een reeds lange tijd bestaand en als vanzelfsprekend beschouwd beginsel dat het huwelijk alleen tussen een man en een vrouw mogelijk is.4 Ook de Hoge Raad kende vervolgens in cassatie grote betekenis toe aan de traditionele opvattingen hierover in de maatschappij:
‘Het wettelijk huwelijk is vanouds opgevat als een duurzame levensverbintenis tussen een man en een vrouw waaraan een reeks rechtsgevolgen wordt verbonden, die deels verband houden met het verschil in geslacht en de daarmee samenhangende gevolgen voor de afstamming van kinderen. Niet alleen in Nederland maar in tal van landen heeft het huwelijk die kenmerken. Ook kan niet worden gezegd dat de algemene rechtsovertuiging zich zo heeft ontwikkeld dat het voorgaande geen rechtvaardiging kan opleveren voor het verschil in behandeling naar seksuele geaardheid dat kan zijn gelegen in de onmogelijkheid om met iemand van hetzelfde geslacht een door de wet als huwelijk erkende verbintenis aan te gaan.’5
Indachtig de bestaande maatschappelijke opvattingen, kon volgens de Hoge Raad begin jaren negentig niet worden gezegd dat het ontbreken van de mogelijkheid voor homoparen om met elkaar te trouwen in strijd was met het verdragsrechtelijke discriminatieverbod. Wel achtte hij het mogelijk dat het ontzeggen van een bepaald, aan het huwelijk verbonden rechtsgevolg aan personen van hetzelfde geslacht die duurzaam met elkaar samenleven in strijd daarmee zou kunnen komen. Daarmee spoorde de Hoge Raad de wetgever aan om voor homoparen die duurzaam met elkaar samenleven wel iets te regelen. Een rechterlijk oordeel waarmee het homohuwelijk feitelijk zou worden gelegaliseerd, ging echter een stap te ver.6
Ook bij euthanasie en hulp bij zelfdoding heeft de rechter rekening gehouden met de maatschappelijke opvattingen. Reeds vóór de inwerkingtreding van wetgeving die euthanasie en hulp bij zelfdoding onder bepaalde voorwaarden toestaat in 2002, had de Hoge Raad in zijn rechtspraak euthanasie en hulp bij zelfdoding onder omstandigheden aanvaard.7 Dat deed hij door het aannemen van een noodtoestand als rechtvaardigingsgrond. De Hoge Raad verwierp echter het zelfbeschikkingsrecht als grondslag voor euthanasie of hulp bij zelfdoding. Volgens de Hoge Raad was dit recht maatschappelijk nog niet zo algemeen aanvaard, dat daarop een rechtvaardiging voor euthanasie of hulp bij zelfdoding kon worden gebaseerd.8
Een recente zaak die dit laatste illustreert, is de Heringa-zaak over hulp bij zelfdoding bij een voltooid leven. Over het antwoord op de vraag of euthanasie of hulp bij zelfdoding ook in dat geval moet worden toegestaan, lopen de politieke en maatschappelijke opvattingen sterk uiteen. De heer Heringa besloot de uitkomst van het debat hierover niet af te wachten, maar zijn moeder, die een hoge leeftijd had bereikt en haar leven voltooid achtte, te helpen bij haar zelfgekozen dood. Nadat dit bekend was geworden, besloot het Openbaar Ministerie Heringa te vervolgen.
De rechtbank en het gerechtshof achtten Heringa schuldig. Anders dan de rechtbank, die had volstaan met een schuldigverklaring, veroordeelde het hof Heringa tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarbij toonden de rechtbank en het hf zich duidelijk bewust van de in de maatschappij hierover sterk uiteenlopende opvattingen. De rechtbank overwoog:
‘Opgemerkt dient te worden dat er verschillend gedacht wordt over de toelaatbaarheid van hulp bij zelfdoding. Die verschillende gedachten en meningen hebben uiteindelijk na een uitgebreide maatschappelijke discussie hun weerslag gevonden in de […] wettelijke regeling zoals deze er nu ligt […]. In een democratische samenleving is het van belang dat wetten, die na een zorgvuldig totstandkomingsproces zijn vastgesteld, worden nageleefd, ook door hen die hun mening niet in alle opzichten in de wet terugvinden. De procedurele waarborgen die in de wettelijke regeling rond euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn opgenomen, zijn er niet voor niets. Zij beogen onder meer een maximale transparantie te bewerkstelligen bij een uiterst elementair onderdeel van het menselijk bestaan, waar het gaat om zaken van leven en dood.’9
In vergelijkbare bewoordingen overwoog het gerechtshof:
‘Het hof realiseert zich dat dit arrest wordt gewezen tegen de achtergrond van de omstandigheid dat al geruime tijd een maatschappelijke discussie gaande is over de vraag of personen die hun voltooid leven achten stervenhulp zouden moeten kunnen krijgen. Het hof constateert dat de meningen over de wenselijkheid om over te gaan tot wetgeving die het mogelijk maakt om stervenshulp te bieden aan personen die hun leven voltooid achten in de samenleving sterk uiteen lopen.’10
De Hoge Raad liet de veroordeling van Heringa in stand.11 Hierbij is van belang dat de Hoge Raad in het verleden, onder verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen hierover, het zelfbeschikkingsrecht als rechtvaardigingsgrond heeft afgewezen. Hoewel deze rechtspraak ruimte laat voor erkenning van dit recht bij een wijziging van de maatschappelijke opvattingen hierover, is van een dergelijk omslagpunt vooralsnog geen sprake.12