Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/9.4.3
9.4.3 Toewijzing doorkruist wetgeving in voorbereiding
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233617:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Uzman en Stolker 2009, p. 490-491.
HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1523, NJ 1995/249, m.nt. De Boer.
Zie r.o. 3.3: ‘In dit nieuwe wetsvoorstel krijgen beide (ex-)echtgenoten gelijke mogelijkheden tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap, mits zij zijn gescheiden of gescheiden leven. Afgewacht moet worden of de thans voorgestelde voorwaarden voor ontkenning van het vaderschap, bij de parlementaire behandeling zullen worden gehandhaafd, aangevuld of prijsgegeven.’
HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348, m.nt. Kooijmans, AA 2017, p. 119-125, m.nt. Schutgens.
EHRM 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD006606909, NJ 2016/135, m.nt. Keijzer onder NJ 2016/136 (Vinter en anderen t. Verenigd Koninkrijk). Zie hierover uitgebreid Van Hattum 2013.
Zie ook Schutgens in zijn noot onder dit arrest (AA 2017, p. 123). Vgl. Constitutioneel Hof Sint Maarten 8 november 2013, ECLI:NL:OCHM:2013:2, waarin de bepalingen uit het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, voor zover zij voorzagen in een levenslange gevangenisstraf, wel buiten toepassing werden verklaard.
Zie r.o. 3.5.
HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, NJ 2019/326, m.nt. Van Kempen.
Rechterlijke terughoudendheid kan ook in de rede liggen wanneer toewijzing van de vordering het wetgevingsproces zou doorkruisen. Volgens Uzman en Stolker is de rechter doorgaans terughoudend wanneer wetgeving in voorbereiding is. In sommige gevallen toetst hij of zijn oplossing of beslissing in lijn is met het op dat moment aanhangige wetsvoorstel. In andere gevallen volstaat hij met de vaststelling dat een wetsvoorstel in voorbereiding is en dat het onduidelijk is hoe het recht op dit punt zal komen te luiden.1
Ter illustratie hiervan wijzen Uzman en Stolker onder meer op de rechtspraak over het ontkennen van het vaderschap van een tijdens een huwelijk geboren kind.2 In de relevante wetgeving ontbrak het destijds aan de mogelijkheid voor vrouwen om een verzoek daartoe in te dienen. Alleen mannen konden dat doen. De Hoge Raad oordeelde dat het oplossen van een eventuele strijdigheid met grondrechten uit het EVRM de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan. Daarbij nam hij onder meer in aanmerking dat een wetsvoorstel hierover in de minsterraad was behandeld en op korte termijn aan de Tweede Kamer zou worden aangeboden. Volgens de Hoge Raad was nog onduidelijk in hoeverre de in dit voorstel opgenomen voorwaarden voor ontkenning van het vaderschap door de moeder tijdens de parlementaire behandeling zouden worden gehandhaafd. In afwachting van de uitkomst van dit wetgevingsproces, zag de Hoge Raad ervan af om het bestaande recht op een zodanige manier uit leggen, dat voortaan ook moeders een verzoek om ontkenning van het vaderschap konden indienen.3
Een ander, meer recent voorbeeld betreft het Levenslang-arrest van de Hoge Raad uit 2016.4 Net als bij de hiervoor besproken rechtspraak over het recht op een raadsman tijdens het politieverhoor, hangt ook dit arrest samen met de rechtspraak van het EHRM. Hoewel een levenslange gevangenisstraf volgens het EHRM op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM, moet een veroordeelde wel uitzicht worden geboden op een mogelijke beëindiging van deze straf in de toekomst.5 Concreet is daartoe een periodieke herbeoordeling vereist op basis van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Het Nederlandse strafprocesrecht voorzag daar aanvankelijk niet in. De enige mogelijkheid om voor vervroegde vrijlating in aanmerking te komen, was het indienen van een verzoek om gratie. Duidelijk was dat deze mogelijkheid niet volstond en dat het bestaande recht op dit punt moest worden aangepast.
Deze aanpassing was maatschappelijk en politiek gezien echter zeer omstreden en werd daarom niet heel voortvarend opgepakt. De Hoge Raad werd in de tussentijd geconfronteerd met een zaak waarin een veroordeelde zijn levenslange gevangenisstraf met een beroep op de rechtspraak van het EHRM ter discussie stelde. Dit bracht de Hoge Raad in een lastig pakket. Zolang het bestaande recht niet voorzag in de vereiste periodieke herbeoordeling, moest de bestaande regeling over de levenslange gevangenisstraf in strijd worden geacht met artikel 3 EVRM. Het op grond van artikel 94 Gw buiten toepassing laten van de bestaande regeling was geen aantrekkelijke optie. In dat geval zou alleen een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar als maximale straf resteren. De vraag was echter of een tijdelijke straf juist in gevallen waarin de rechter een levenslange gevangenisstraf had opgelegd passend was.6
De Hoge Raad koos daarom voor een creatieve oplossing en besloot iedere verdere beslissing in deze zaak met een jaar uit te stellen. Daarbij greep hij terug naar de recente aankondiging van de verantwoordelijke staatsecretaris dat de bestaande regeling over de levenslange gevangenisstraf op korte termijn zou worden aangepast:
‘De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 2 juni 2016 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin voorgenomen wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden uiteengezet […]. Naar aanleiding van deze brief zal, naar mag worden aangenomen, verdere politieke besluitvorming plaatsvinden. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding om de verdere behandeling van de zaak aan te houden […]. Daarna zal de Hoge Raad [...] beoordelen of op grond van een eventueel dan voorhanden zijnde regeling tot een ander oordeel […] dient te worden gekomen.’7
De bedoelde aanpassing werd uiteindelijk doorgevoerd. Daarop oordeelde de Hoge Raad dat van een verdragsschending niet langer sprake was. Vervolgens liet hij de veroordeling van de betrokkene tot een levenslange gevangenisstraf in stand.8