Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.3.1:11.3.1 Geen zicht op de kwaliteit en gebrekkige controle
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.3.1
11.3.1 Geen zicht op de kwaliteit en gebrekkige controle
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie het rapport ‘Versterking Opsporing en Vervolging naar aanleiding van de evaluatie van de Schiedammer parkmoord’ uit 2005, p. 24 en 41 e.v.
Van der Leij 2002.
Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Stevens en Verhoeven naar de raadsman bij het politieverhoor (Stevens & Verhoeven2010) en ouder onderzoek van Bal naar de verbale interactie tussen rechter en verdachte op het onderzoek ter terechtzitting bij de politierechter (Bal 1988).
Haket 2007, p. 207.
Haket 2007, p. 134 en 204.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is duidelijk geworden dat het verhoren van getuigen (maar ook van verdachten) het nodige vraagt van de verhorende functionaris. Het ondervragen van personen en het tot stand brengen van een zo betrouwbaar mogelijke verklaring is een gevoelige aangelegenheid, waarbij het nodige mis kan gaan en het risico van beïnvloeding voortdurend op de loer ligt. Gerechtelijke dwalingen uit het verleden, zoals de Schiedammer parkmoord en Ina Post, laten zien tot welke problemen het kan leiden als verhoren niet op deugdelijke wijze worden afgenomen. Onderzoek naar de oorzaken van gerechtelijke dwalingen maakt weliswaar inzichtelijk welke valkuilen met het verhoor gepaard gaan, maar uit deze zaken kan niet zoveel worden afgeleid over de kwaliteit van verhoren vandaag de dag. Immers, tegen de tijd dat gerechtelijke dwalingen aan het licht komen, is er in de regel al veel tijd verstreken en kan de kwaliteit van de te hanteren methoden inmiddels zijn verbeterd. Naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord heeft Openbaar Ministerie een verbeterprogramma opgesteld, waarin ook voorzieningen zijn getroffen voor het verhoor en de auditieve en audiovisuele registratie van het verhoor.1 Voorgaande roept de vraag op hoe het thans is gesteld met de kwaliteit van het getuigenverhoor in de verschillende fasen van het strafproces in Nederland, temeer daar zo zwaar wordt geleund op de schriftelijke producten die door het verhoor worden voortgebracht.
Geconstateerd moet worden dat relatief weinig onderzoek is gedaan naar de kwaliteit van het getuigenverhoor. Van der Leij heeft onderzoek gedaan naar het horen van getuigen op het onderzoek ter terechtzitting. Dit onderzoek richt zich echter primair op de bejegening van getuigen en niet zozeer op de wijze van verhoren vanuit een perspectief van deugdelijke kennisvergaring.2 Veruit de meeste aandacht gaat in de literatuur uit naar het verhoor van verdachten, maar ook daar zijn de empirische bevindingen beperkt en richten die zich voornamelijk op het verhoor bij de politie.3 Haket is een van de weinige onderzoekers die (mede) kwalitatief onderzoek heeft gedaan naar de inhoudelijke gang van zaken tijdens het getuigenverhoor met het oog op een deugdelijk feitenonderzoek in de verschillende fasen van het strafproces. Haar promotieonderzoek geeft een beeld van de wijze waarop ‘verhalen’ in het strafproces worden geconstrueerd en de rol die de verhoorder daarin speelt. Het onderzoek heeft zich echter uitsluitend gericht op een relatief klein aantal verkrachtingszaken waardoor de generaliseerbaarheid van de onderzoeksresultaten beperkt is, zoals de onderzoekster zelf ook aangeeft.4 Het door haar verrichte onderzoek laat echter wel zien welke veranderingen het verhaal van de getuige ondergaat onder invloed van het verhoor en factoren van buitenaf. Haar onderzoek geeft dan ook aanleiding tot vragen en zorgen over de kwaliteit van verklaringen zoals die bij de zittingsrechter terechtkomen, maar echt inzicht in de omstandigheden van het verhoor en de bedrevenheid van de verhoorders ontbreekt.
In de jurisprudentie is de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor relatief zelden onderwerp van discussie, zeker wanneer het belang van in het vooronderzoek afgelegde getuigenverklaringen voor de bewijsbeslissing in ogenschouw wordt genomen. Dat kan betekenen dat er niet of nauwelijks fouten worden gemaakt en dat getuigenverhoren over het algemeen naar ieders tevredenheid worden afgenomen, maar de geringe aandacht is vermoedelijk eerder het resultaat van het gebrekkige zicht op de gang van zaken tijdens het verhoor en het vertrouwen dat in dit verband wordt gesteld in de verhorende ambtenaren door de zittingsrechter. Ook het feit dat het getuigenverhoor bij de politie niet of nauwelijks is genormeerd, kan hier debet aan zijn. Het is niet toevallig dat op de terreinen waarin het verhoor wel meer in detail is geregeld, zoals in zedenzaken of bij de inzet van een Osloconfrontatie (die hier gemakshalve even tot het verhoor wordt gerekend), er meer jurisprudentie bestaat.
Vanwege het gebrek aan onderzoek is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven hoe het is gesteld met de kwaliteit van het getuigenverhoor in Nederland. Wel moet worden geconstateerd dat de controlemechanismen tijdens het verhoor bij de politie beperkt zijn, nu de raadsman van de verdediging daarbij niet aanwezig mag zijn. Dit is vooral problematisch nu ook de controle achteraf, zoals in het vervolg van dit hoofdstuk duidelijk zal worden, gering is vanwege de wijze van registeren van verhoren. Bij het ontbreken van controlerende derden die niet betrokken zijn bij de inhoudelijke gang van zaken tijdens het verhoor, zijn het de verklarende personen zelf die goed de vinger aan de pols moeten houden, maar daartoe zijn zij slechts in zeer beperkte mate geëquipeerd. Als gezegd, een verhoor kan behoorlijk stressvol zijn en het valt niet altijd mee voor een getuige om tijdens een verhoor ten overstaan van een geroutineerde verhoorder voldoende alert en kritisch te blijven. Daarbij zal de getuige zich ook niet altijd bewust zijn van de suggestie of sturing die van de verhorende ambtenaar uitgaat en van het belang dat aan zijn schriftelijke verklaring wordt gehecht in het strafproces. Uit onderzoek van Haket blijkt bijvoorbeeld dat getuigen hun verklaring vaak ongezien ondertekenen.5
Ondanks het beperkte zicht op de kwaliteit van het verhoor – dat op zichzelf reeds een op zichzelf staand probleem vormt – kan een aantal nadere probleemgebieden worden aangewezen.