Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.3.2
5.5.3.3.2 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: de rechtmatigheidsgetuige
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 17 maart 1981, NJ 1981, 382 m.nt. ThWvV.
Hoge Raad 17 maart 1981, NJ 1981, 382 m.nt. ThWvV, Hoge Raad 2 maart 1982, NJ 1982, 460 m.nt. ThWvV, Hoge Raad 5 oktober 1982, NJ 1983, 297 m.nt. ’t H en Hof ’s- Hertogenbosch 4 juni 2010, LJN BM6781.
Hoge Raad 8 september 1998, NJ 1998, 879 m.nt. Sch. Zie in dit verband ook het eerder besproken arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 23 december 2011, LJN BV0293.
Hof ‘s-Hertogenbosch 4 juni 2010, LJN BM6781.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Hof Amsterdam 9 juni 1994, NJ 1994, 709, Rb. Haarlem 12 oktober 2001, LJN AD4599 en Hof Arnhem 5 november 2004, LJN AR5229.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Hoge Raad 5 december 1995, NJ 1996, 422 m.nt. Kn en Hoge Raad 12 februari 2002, NbSr 2002, 108.
Hoge Raad 2 februari 2010, NJ 2010, 246 m.nt. Sch, Hof ‘s-Hertogenbosch 20 december 2007, NbSr 2008, 51 en Hof ‘s-Hertogenbosch 23 december 2011, LJN BV0293. Zie in dit kader ook Rb. Oost-Nederland 2 januari 2013, LJN BY7575 . In casu oordeelt de rechtbank in eerste instantie, dat het noodzakelijk is dat de informant die ontlastende informatie aandraagt moet worden gehoord. De TCI-officier weigert hieraan mee te werken, wel legt zij in een proces-verbaal vast dat zij op basis van het informantendossier heeft kunnenvaststellen dat de informant geen (belastende of ontlastende) concrete informatie heeft gegeven over andere personen die in het TCI-proces-verbaal worden genoemd. De rechtbank komt dan terug op de eerdere beslissing en oordeelt dat het horen van de informant niet langer noodzakelijk is, mede gelet op het feit dat inmiddels meerdere andere getuigen zijn gehoord. Zie voor een nagenoeg identieke casus en gang van zaken het vonnis van de Rb. Amsterdam van 25 maart 2014, ECLI:NL: RBAMS:2014:1460.
Hof Arnhem 25 september 2002, LJN AE8066.
Met het voorgaande in het achterhoofd wordt nu dieper ingegaan op de wijze waarop de rechtmatigheid van het handelen van het TCI wordt getoetst. Opgemerkt moet worden dat in dit geheel wederom scherp het spanningsveld dat bestaat tussen het afschermingsbelang en het verdedigingsbelang naar voren komt. Bovendien moet worden aangetekend dat dergelijke getuigen geregeld eveneens worden gehoord om de betrouwbaarheid van TCI-informatie te toetsen. Allereerst kan in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van het handelen van het TCI een rechtmatigheidsgetuige worden gehoord bij de r-c of ter zitting. Gaat het om het horen van het Hoofd TCI of een runner, dan komt hem niet het in art. 218 Sv neergelegde verschoningsrecht toe, zo blijkt uit een arrest van de Hoge Raad.1 Wel kan door de rechter- commissaris op grond van art. 187b Sv of door de zittingsrechter op grond van art. 293 Sv worden belet dat deze getuige antwoord geeft op de aan hem gestelde vragen.2 In een dergelijk geval kan het afschermingsbelang ter rechtvaardiging van het beperken van de verdedigingsrechten worden ingeroepen. Op de voet van art. 187d Sv kan de r-c voorts beletten dat antwoorden die bijvoorbeeld zien op de door het TCI gehanteerde werkwijze ter kennis komen van de verdediging. Ter motivering van deze beslissing kan dan worden gesteld dat bij het bekend worden van het antwoord op de vraag een zwaarwegend opsporingsbelang zal worden geschaad. De officier van justitie kan op deze grond vorderen dat het geven van antwoorden op vragen door de rechter wordt belet of dat wordt belet dat antwoorden op gestel-de vragen terechtkomen bij de verdediging. Hij kan echter niet aan politieambtenaren opdragen dat zij op bepaalde vragen geen antwoord mogen geven. Een en ander blijkt uit een zaak waarin de CID-officier aan ter zitting te horen runners verbood vragen te beantwoorden die konden leiden tot het openbaar worden van de identiteit van de informant.3 Een sprekend voorbeeld van het beletten antwoord te geven op vragen gaat schuil in het arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 4 juni 2010.4 In deze zaak werpt de verdediging op dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het heeft geweigerd aan te geven of de in het TCI-proces-verbaal opgenomen informatie direct of indirect afkomstig is van een getuige. Het hof verwerpt het verweer en overweegt dat vragen dienaangaande op goede gronden zijn belet. Het hof dicht in dit verband meer gewicht toe aan het afschermingsbelang en overweegt bovendien dat de verdediging door de beantwoording van andere aan de getuigen gestelde vragen in voldoende mate is gecompenseerd voor het beletten van de vragen.
Het verzoek tot het horen van getuigen omtrent de rechtmatigheid van het handelen van het TCI gaat in de regel uit van de verdediging. Stelt de verdediging echter geen feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de TCI-informatie niet op rechtmatige wijze is verkregen of worden deze niet aannemelijk gemaakt, dan is de rechter geneigd een dergelijk verzoek naast zich neer te leggen.5 De rechter legt hierbij het in art. 288 lid 1 onder c Sv weergegeven criterium aan, inhoudende dat de verdachte door de weigering de getuige op te roepen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.6 Soms kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het op deze grond afwijzen van een verzoek tot het horen van getuigen. De verdediging probeert immers door middel van de te horen rechtmatigheidsgetuige aan het licht te brengen dat zich mogelijk onrechtmatigheden hebben voorgedaan in het handelen van het TCI. Voorafgaand aan deze verhoren is het voor de verdediging niet eenvoudig om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die wijzen op een onrechtmatigheid, daar zijn juist de verhoren voor nodig. Als de rechter het verzoek afwijst door te overwegen dat een mogelijke onrechtmatigheid niet aannemelijk is gemaakt, lijkt sprake van een cirkelredenering. Er wordt meer recht gedaan aan de belangen van de verdediging als de rechter op dit punt wat soepeler oordeelt. In dit geheel kan wel als sterk tegenargument worden ingebracht dat dit tot ongewenste fishing expeditions van de advocatuur kan leiden: het zoeken naar veronderstelde onrechtmatigheden, terwijl hiervan in het geheel geen sprake is. Ten slotte is al eerder opgemerkt dat op het moment dat zich een vermeende schending van art. 6 EVRM voordoet, als wordt aangevoerd dat is geïnstigeerd dan wel dat wordt opgeworpen dat ontlastende informatie wordt achtergehouden, de rechter gehouden is toeschietelijker in de (omvang van de) rechtmatigheidstoets te zijn. Eerder is al verwoord dat specifiek in relatie tot een gevoerd uitlokkingsverweer lijkt te moeten worden ontkracht dat hier sprake van is geweest. Bij een dergelijk verweer is het met andere woorden aan politie en OM om aannemelijk te maken dat niet is uitgelokt.
Eerder is al naar voren gekomen dat feitelijk in alle gevallen wordt geweigerd de identiteit van een op te roepen informant prijs te geven en zo de mogelijkheid van een verhoor wordt gefrustreerd.7 Dit kan zich zelfs voordoen als voorgesteld wordt de informant te horen met toepassing van de bedreigde getuigenregeling van art. 226a-226f Sv. Mogelijke drijfveer hierachter kan zijn het feit dat de enkele afwezigheid van de informant op het moment van afleggen van de getuigenverklaring al leidt tot het door de verdachte kunnen vaststellen van zijn identiteit. Bovendien speelt in dit gegeven ook mee dat het TCI en de TCI-officier in de weigering om een informant op te roepen door laten klinken dat zij te allen tijde staan voor het afschermingsbelang dat het werk van het TCI omgeeft, ook al leidt dit tot de zwaarst denkbare strafprocessuele sanctie. Het belang van het opsporingsmiddel in zijn geheel wordt met andere woorden op dat moment zwaarder bevonden dan het belang dat speelt in een concrete strafzaak. Zichtbaar is al geworden dat de strafprocessuele sanctie die hier doorgaans op volgt de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie is. Niettemin vernietigde het Hof Arnhem het vonnis van de Rechtbank Almelo, waarin tot niet-ontvankelijkheid werd overgegaan nadat de officier van justitie weigerde twee informan-ten als getuigen op te roepen.8 Het hof overweegt dat, gelet op het transparanter geregeld vooronderzoek, de door de rechter aan te leggen rechtmatigheidstoets minder dwingend is geworden en van de verdediging mag worden gevergd dat deze indicaties aanreikt omtrent enige in het onderzoek plaatsgevonden hebbende onrechtmatigheid. Voorts overweegt het hof dat het horen van de informanten in casu niet nodig is en dat bijzondere omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat informanten als getuigen moeten worden gehoord, door de raadsman niet aannemelijk zijn geworden. De rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de informatie van de informanten heeft de raadsman kunnen toetsen tijdens het verhoor van de verbalisanten.