RvdW 2023/775:Medeplegen voorhanden hebben omgebouwd alarmpistool met munitie en pistoolmitrailleur in door medeverdachte bestuurde auto onder bijrijdersstoel, terwijl verdachte op achterbank zit, art. 26 lid 1 WWM. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting. 1. Beroep op bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige doorzoeking auto nadat medeverdachte op bijrijdersstoel geen identiteitsbewijs kon tonen, art. 359a Sv. 2. Bewijsklacht voorhanden hebben. 3. Verzoek aan HR om zaak ‘te beoordelen als ware hij hogere feitenrechter’ gelet op Jaddoe tegen Nederland en vrijspraak van verdachte in eerste aanleg. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg over gevallen waarin o.g.v. art. 359a Sv bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat het door verdediging gestelde vormverzuim bij doorzoeking van auto zich heeft voorgedaan, daarvan niet het gevolg is dat recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM is geschonden en ook niet dat sprake is van zodanig ernstige schending van ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan recht op eerlijk proces (waaronder recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer a.b.i. art. 8 EVRM) dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is in het licht van wat is aangevoerd door verdediging evenmin onbegrijpelijk. Daarbij betrekt HR dat hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat verdachte door gesteld verzuim in enige mate daadwerkelijk nadeel heeft geleden en heeft geoordeeld dat enkele stelling dat onrechtmatige doorzoeking tot conclusie zou leiden dat er sprake is van ‘détournement de pouvoir’, onvoldoende onderbouwd is. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap had van aanwezigheid van wapens en munitie, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Hof kon dit afleiden uit combinatie van omstandigheid dat wapens en munitie zijn aangetroffen onder passagiersstoel van auto waarin verdachte zat en omstandigheid dat er DNA van verdachte is aangetroffen op één van die wapens. Dat hof niets heeft vastgesteld over vraag of wapens voor een op achterbank gezeten persoon wel zichtbaar waren, doet hieraan niet af. Bewezenverklaring m.b.t. voorhanden hebben is daarmee voldoende met redenen omkleed. Ad 3. (Mogelijke) gevolgen van zienswijze van VN-Mensenrechtencomité in zaak van Jaddoe tegen Nederland, behoeven geen nadere bespreking. HR volstaat met verwijzing naar (na indiening van cassatieschriftuur gewezen) NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.