Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.2.4
1.2.4 Het Oekraïne-referendum en nasleep
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233573:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Trb. 2014, 160.
Stb. 2015, 315.
Stb. 2017, 236.
Rb. Den Haag 12 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3667, AB 2017/415, m.nt. Boogaard en Uzman onder Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4366, AB 2017/416.
Zie r.o. 4.4 tot en met 4.7.
Zie Boogaard en Uzman in hun noot (AB 2017/416). Vgl. ook Van Emmerik, Ten Napel en Uzman 2017, p. 2572; Van der Hulle 2017.
Zie daarover bijv. Borman en Breunese 2019.
Stb. 2018, 214.
Zie artikel V en artikel VI van de intrekkingswet.
Voor de regering was dit reden om de Raad van State om nader advies te vragen. Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 854, nrs. 4 en 40. Zie ook Voermans 2018.
ABRvS 2 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:364.
Rb. Den Haag 4 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7888, AB 2018/399, m.nt. Van der Hulle. Zie ook later ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:98, AB 2019/144, m.nt. Boogaard en Uzman, waarin de Afdeling oordeelde dat de wetgever de referendabiliteit van de intrekkingswet kon uitsluiten.
Kenmerkend voor de hiervoor besproken zaken is dat de rechter daarin niet of niet in alle opzichten van een inhoudelijke beoordeling afzag. Deze zaken onderscheiden zich in zoverre van andere zaken die met de political questiondoctrine in verband zijn gebracht, maar waarin de rechter een inhoudelijke beoordeling wel achterwege heeft gelaten.
Een mooi voorbeeld hiervan is de zaak over het op 6 april 2016 gehouden referendum over het tussen de EU en Oekraïne gesloten associatieverdrag.1 Daarbij sprak een duidelijke meerderheid van 61 procent van de verschenen kiezers zich uit tegen dat verdrag. Deze uitslag was een teleurstelling voor de regering en een meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer, die zich voor het associatieverdrag hadden uitgesproken.2 Lange tijd was onduidelijk hoe de regering aan deze negatieve referendumuitslag uitvoering zou geven. Na aanvullende onderhandelingen en de vaststelling van een verklaring bij het associatieverdrag waarin wordt bevestigd dat het verdrag nog niet betekent dat Oekraïne zonder meer lid zal worden van de EU, besloot de regering alsnog een wetsvoorstel in te dienen tot inwerkingtreding van de goedkeuringswet. Daarmee zou ratificatie van het associatieverdrag worden afgerond. Dit wetsvoorstel zou uiteindelijk voldoende steun krijgen in de Tweede en Eerste Kamer.3
Deze uitvoering aan de negatieve uitslag van het referendum werd echter niet door iedereen onderschreven. Dit geldt in ieder geval voor Forum voor Democratie, een van de initiatiefnemers van het referendum. Volgens Forum voor Democratie had de regering, door de aanvullende onderhandelingen met de andere Europese lidstaten die uiteindelijk zouden uitmonden in de hiervoor bedoelde verklaring bij het associatieverdrag, in strijd gehandeld met artikel 11 Wet raadgevend referendum (hierna: de Wrr). Op grond van deze bepaling diende de regering, indien de uitslag van het referendum strekte tot afwijzing van de wet, zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel in te dienen tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding daarvan.
Bij vonnis van 12 april 2017 wees de rechtbank in Den Haag de vorderingen zonder inhoudelijke beoordeling af.4 Volgens de rechtbank ging het hier om een geschil waarover de rechter zich niet inhoudelijk behoort uit te spreken. Bepalend daarvoor achtte zij dat het wetsvoorstel tot inwerkingtreding van de goedkeuringswet destijds nog niet in de Eerste Kamer was behandeld en in stemming was gebracht. Een inhoudelijke beoordeling zou naar het oordeel van de rechtbank daarom het lopende wetgevingsproces hebben doorkruist.5 Sommige auteurs, zoals Boogaard en Uzman, hebben deze benadering nadrukkelijk met de Amerikaanse political question-doctrine in verband gebracht.6
Voor eenzelfde benadering koos de Haagse rechtbank in een latere procedure over de intrekking van de Wrr.7 De negatieve uitslag van het Oekraïne-referendum en de nasleep daarvan waren voor de regering, daarbij gesteund door een meerderheid van het parlement, reden om het raadgevend referendum af te schaffen. De intrekkingswet was zo vormgegeven dat het onmogelijk werd gemaakt om de intrekkingswet aan een raadgevend referendum te onderwerpen.8 Concreet was daartoe in de intrekkingswet bepaald dat de Wrr daarop niet van toepassing was en dat de intrekking van die wet terugwerkende kracht zou hebben.9
Deze uitsluiting van de referendabiliteit was echter zeer omstreden en leidde ook onder staatsrechtgeleerden tot discussie.10 Stichting Meer Democratie startte daarop een procedure met als doel dat de intrekkingswet alsnog aan een referendum kon worden onderworpen, na hierover tevergeefs een procedure te hebben gevoerd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.11 De intrekkingswet was op dat moment nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Net als in de procedure over het Oekraïne-referendum zag de rechtbank daarom ook hier van een inhoudelijke beoordeling af.12