De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.5.4.0:6.5.4.0 Introductie
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.5.4.0
6.5.4.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373458:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt gediscussieerd over de vraag of in Nederland slechts één model voor de civiele procedure moet worden ingevoerd (Asser/Groen/Vranken (2003), p. 150-153).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorgestelde Europese incassoverordening bepaalt niet in welke vorm de incassoprocedure moet worden gegoten. Ingevolge art. 15 is het nationale recht van de lidstaten van toepassing op procedurele kwesties die niet door de verordening geregeld worden. Nu de verordening een incassoprocedure op een eenvoudige en goedkope wijze mogelijk maakt, dient - wat Nederland betreft - de regeling voor verzoek-schriftprocedures van toepassing te zijn. Een verzoekschrift kan in tegenstelling tot een dagvaarding een eenzijdige procedure inleiden, dat wil zeggen een procedure waarbij de verweerder niet wordt opgeroepen. Bij de voorgestelde incassoprocedure is immers geen sprake van een contradictoire procedure. Indien de regels voor verzoekschriftprocedures niet van toepassing zouden zijn op de incassoprocedure, dienen nieuwe regels in het leven te worden geroepen die een goed verloop van de incassoprocedure mogelijk zouden maken. Dit zou tot gevolg hebben dat in het Nederlandse burgerlijk procesrecht naast de dagvaardings- en verzoekschriftprocedure een derde soort procedure zou ontstaan.1
Art. 6 lid 2 en art. 9 lid 2 bepalen dat de Europese uitnodiging tot betaling resp. het betalingsbevel aan de verweerder worden betekend. Bij de betekening van deze documenten dienen mijns inziens - wat Nederland betreft - meerdere situaties te worden onderscheiden. Hierbij rijst tevens de vraag wanneer de termijn van drie weken voor het indienen van verweer tegen de uitnodiging tot betaling respectievelijk voor het instellen van het verzet tegen het betalingsbevel begint te lopen. De leden 3 van art. 6 en van art. 9 bepalen slechts dat het verweerschrift en het verzet dienen te worden ingesteld binnen drie weken na de datum van de betekening daarvan overeenkomstig het recht van de lidstaat waarin de betekening plaatsvindt.