Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/3.8.1.2
3.8.1.2 Compartimenteren als wettelijke overgangsmaatregel
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416302:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
.Kamerstukken II 1996/97, 24 761, nr. 7, p. 72.
Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 25, p. 34, vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5, p. 25.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 334, nr. 2, V-N 1991, p. 2901 en nr. 3, V-N 1991, p. 3248 inzake de invoering van art. 13g Wet VPB 1969, Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5, p. 38 en 39 en nr. 8, p. 20 inzake de uitbreiding van de deelnemingsvrijstelling tot valutaresultaten, Kamerstukken I 2001/02, 28 034, nr. 123b, p. 13 inzake de invoering van art. 13g lid 3 Wet VPB 1969, Kamerstukken II 2004/05, 30 031, nr. 6, p. 4 inzake aanpassing vereiste minimum bezitspercentage art. 13g Wet VPB 1969, Kamerstukken II 2006/07, 30 572, nr. 3, p. 16 inzake Werken aan winst.
Brief van 3 juli 1998, nr. DB 97/27430, V-N 1998/35.21 inzake de uitbreiding van de deelnemingsvrijstelling tot valutaresultaten, en besluit van 1 februari 2006, nr. CPP2005/2702M, onderdeel 1.1.1.2, BNB 2006/161 in algemene zin bij wijzigingen in art. 13 lid 1 Wet VPB 1969.
Besluit van 1 februari 2006, nr. CPP2005/2702M, onderdeel 6.1.1, BNB 2006/161 waarin hij vermeldt dat de wettekst die geldt op het tijdstip van de vereffening bepalend is.
Bij verandering van wettelijke regels heeft de wetgever – zoals ik hierna uiteenzet – een aantal keer in een wettelijke compartimenteringsregel voorzien.
Per 1 april 1986 werd de landbouwvrijstelling aangepast in die zin dat waardeveranderingen die in de uitoefening van het bedrijf zijn ontstaan en bestemmingswijzigingswinsten niet langer onder de landbouwvrijstelling zouden vallen. Met betrekking tot deze wetswijziging is in art. 70 Wet IB 1964 een overgangsmaatregel opgenomen die bewerkstelligt dat waardestijgingen van landbouwgrond die zijn ontstaan vóór 1 april 1986, zijn vrijgesteld. Hiertoe diende vóór 1 januari 1992 een beschikking te worden aangevraagd waarin de waardestijging van de grond wordt vastgelegd voor zover deze is ontstaan vóór 1 april 1986 en daarop de landbouwvrijstelling van toepassing zou zijn geweest indien de waardestijging was gerealiseerd op 31 maart 1986. Opvallend is dat deze compartimenteringsregel ingevolge art. 70 lid 2 Wet IB 1964 alleen op verzoek van de belastingplichtige wordt toegepast. In geval van waardedaling van de grond kon de belastingplichtige er derhalve voor kiezen de compartimenteringsleer buiten toepassing te laten, zodat de waardevermindering in aanmerking kon worden genomen.
Bij de herziening van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997, waarbij onder andere het bezitsvereiste werd verlaagd van 33% naar 5%, trof de wetgever eveneens een wettelijke compartimenteringsregel. Voor belastingplichtigen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet over een aanmerkelijk belang beschikten, maar als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe regime wel over een aanmerkelijk belang zijn gaan beschikken, is in art. 70c lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 bepaald dat als verkrijgingsprijs de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1997 – in plaats van de historische kostprijs – wordt aangemerkt. De wetgever duidde deze overgangsmaatregel aan als ‘opstapregeling’1 Deze overgangsmaatregel is ook van toepassing indien de historische kostprijs lager is dan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1997, hetgeen betekent dat ook ten nadele van belastingplichtige moet worden gecompartimenteerd.
Bij de invoering van box 3 in de Wet IB 2001 per 1 januari 2001 heeft de wetgever met betrekking tot op 31 december 2000 lopende termijnen van huren, pachten en renten – voor zover zij niet tot het ondernemingsvermogen behoren – voorzien in een compartimenteringsregel. In hfdst. 2 art. I onderdeel AK Inv.w. Wet IB 2001 is namelijk geregeld dat de regels van de Wet IB 1964 van toepassing blijven voor zover de termijnen op 31 december 2000 zijn gerijpt, doch nog niet zijn genoten. De onderdelen AKa en AKaa bevatten een soortgelijke compartimenteringsregel voor uitgestelde respectievelijk nog niet lopende termijnen.
Met betrekking tot aanpassingen in de sfeer van de deelnemingsvrijstelling heeft de staatssecretaris zich als medewetgever in het algemeen een voorstander van compartimenteren getoond: 2
‘In zijn algemeenheid ben ik van mening dat in geval van een sfeerovergang ten gevolge van een wetswijziging op het gebied van de deelnemingsvrijstelling de compartimenteringsgedachte van toepassing is.’
Meer specifiek heeft hij als medewetgever in de parlementaire toelichting bij wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling herhaaldelijk aangegeven dat – gelet op de jurisprudentie inzake feitencompartimentering in de sfeer van de deelnemingsvrijstelling – gecompartimenteerd dient te worden.3 Bij een aanpassing in de deelnemingsvrijstelling is tot op heden echter nooit in een wettelijke compartimenteringsregel voorzien. Als uitvoerder van de wet heeft de staatssecretaris zich in elk geval tweemaal in positieve zin uitgelaten over compartimenteren.4 Bij aanpassingen in de liquidatieverliesregeling is de compartimenteringsgedachte volgens hem evenwel niet van toepassing.5