Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.a
a. Algemeen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS473727:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar het onderdeel ‘wetteksten’, opgenomen aan het slot van dit onderzoek, waar de diverse teksten kunnen worden geraadpleegd.
Nederlandsch Landbouw Comité, Rapport omtrent Ruilverkaveling met Ontwerp van Wet en Memorie van Toelichting, MvT, p. 31.
Zie grenspost 1, hfdst. I, onderdeel C.2, alsmede A.I.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 55 e.v.
M.J.A. van Mourik, Verdeling in de notariële praktijk, preadvies voor het wetenschappelijk congres van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie op 5 oktober 2012, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 17.
Ik zal in het vervolg van dit onderdeel de kavelruil als uitgangspunt nemen: de herverkaveling zal alleen daar worden genoemd en behandeld waar dit, gezien enkele specifieke kenmerken van de herverkaveling, geboden is.
Zie tevens het onderdeel ‘proeve van een wettekst’, opgenomen aan het slot van dit onderzoek.
Vgl. o.m. grenspost 1, hfdst. 1, onderdelen G.6.b en G.6.j, alsmede grenspost 1, hfdst H, onderdelen A.4.C, B, D en E.
B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10, p. 3, alsmede B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd”.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10. In gelijke zin: B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16.
B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16.
Vgl. de onderdelen C.2.a, C.2.c en G3.c van dit hoofdstuk.
De binnen de wettelijke regeling van de kavelruil gebruikte begrippen ‘samenvoegen’, ‘massa’ en ‘verkavelen’ doen de doorgewinterde civielrechtelijke jurist onmiddellijk denken aan de rechtsfiguur ‘verdeling’ uit artikel 3:182 en volgende van het BW.
Sterker nog: wanneer de tekst van artikel 85, lid 1 WILG er bij wordt gehaald kan niemand, ook de wat minder civielrechtelijk georiënteerde jurist, meer om de ‘link’ met de verdeling heen:
“Ruilverkaveling bij overeenkomst is de schriftelijk aan te gane en in de openbare registers in te schrijven overeenkomst waarbij drie of meer eigenaren zich verbinden bepaalde, hun toebehorende onroerende zaken samen te voegen, de gegeven massa op bepaalde wijze te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen, (onderstreping door mij. JR)”
Daarnaast dient, om het beeld te completeren, artikel 1, lid 1 WILG, dat onder meer de definitie van herverkaveling bevat, te worden geciteerd:
”herverkaveling: samenvoeging, verkaveling en verdeling van onroerende zaken met toepassing van hoofdstuk 8, titel 3; (onderstreping door mij, JR)”
De vermelding van het woord ‘verdelen’ casu quo ‘verdeling’ in de (kavelruil)wettekst is overigens geen novum binnen de contouren van de WILG. Ook in de Ruilverkavelingswet 1938 (artikel 3, lid 1), de Ruilverkavelingswet 1954 (artikel 4, lid 1) en de Landinrichtingswet (artikel 17) werd dit woord, in dezelfde context, aangetroffen.1 Daar houdt het echter niet op. Ook geruime tijd vóór de introductie van de ruilverkavelingswetgeving in Nederland zette de wetgever ons reeds op het verdelingsspoor. Zo stelt het Nederlandsch Landbouw Comité in 1910:
“Van het denkbeeld is uitgegaan, dat als het ware alle gronden, waarover men eene ruilverkaveling wenscht te houden, worden samengevoegd tot eene massa, welke daarna opnieuw wordt verdeeld (…)”2
Daarnaast mag ook de Markenwet 1886, als voorloper van de ruilverkavelingswetgeving, uiteraard niet onvermeld blijven: verdeling van de markegronden was immers het (enige) doel van deze wet3
De ‘verdeling’ (het woord althans) is derhalve alomtegenwoordig binnen de kaders van de landinrichtingswetgeving in het algemeen en de regeling van de ruilverkaveling bij overeenkomst casu quo kavelruil in het bijzonder. Ik herinner me in dit kader de woorden van Van Mourik, opgenomen in het KNB-preadvies ‘Verdeling in de notariële praktijk’ uit 2012, luidend als volgt:
“Het onderwerp ‘verdeling’ manifesteert zich binnen de rechtspraktijk op diverse fronten van het civiele en fiscale recht. Waar gemeenschap bestaat, is verdeling niet ver weg.”4
In aansluiting op deze woorden is het thans, aangemoedigd door de op zijn minst opvallend te noemen keuze voor het woord ‘verdeling’ in de artikelen 1, lid 1 en 85, lid 1 WILG, tijd om te bezien of het onderwerp ‘verdeling’ zich ook binnen de kaders van de herverkaveling en (in het bijzonder) de kavelruil5 manifesteert. Is het gebruik van het woord ‘verdeling’ bedoeld om, via de kavelruil, een civielrechtelijke brug te slaan tussen de publiekrechtelijke WILG en het BW? Is de soms exotische en mysterieuze kavelruil, wanneer deze van al zijn ‘agrarische’ terminologie wordt ontdaan, niet ‘gewoon’ een verdeling zoals we die allemaal kennen? Of is het woord ‘verdeling’ met een ander doel in de wettekst opgenomen? Of is er wellicht helemaal geen sprake van een vooropgezet plan en is het woord min of meer toevalligerwijs of uit gewoonte opgenomen? Dit onderdeel tracht enige orde te brengen in de mogelijk bij de lezer reeds ontstane chaos. Daarbij dient te worden aangekondigd dat een volledig juridischtechnische benadering en analyse niet altijd mogelijk zal blijken. Daarom zal het onderzoek zich concentreren op de hoofdlijnen en zal, waar nodig, tevens voor een wat meer filosofische benaderingswijze worden gekozen.
De reden van dit deelonderzoek is voornamelijk gelegen in de poging tot aansluiting met de civielrechtelijke realiteit: via het in het vorige onderdeel onderzochte begrip ‘ruil’ en de in dit onderdeel onderzochte ‘verdeling’ is het wellicht mogelijk om toegang te krijgen tot het algemene vermogensrecht, waarin de kavelruil vervolgens zou kunnen worden ingebed en geplaatst. Civielrechtelijke grensverkenning van de kavelruil in optima forma derhalve, als voorbereiding voor het hierna in onderdeel 8 beschreven pleidooi voor opname van de kavelruil als bijzondere overeenkomst in boek 7 van het BW.6
Zoals zo vaak in kavelruilkwesties7 gaat Preller ons ook hier voor. Enkele relevante opmerkingen van de kavelruildeskundige bij uitstek door de jaren heen:
“Samenvoegen betekent het afstaan van onroerende zaken voor onderlinge ruil en levering in eigendom in het kader van kavelruil. De samenvoeging wordt niet in fysieke zin verstaan. Samenvoeging heeft geen goederenrechtelijke gemeenschap in de zin van titel 7 van boek 3 BW tot gevolg.*8
“De afstand van onroerende zaken moet worden geduid als een obligatoire handeling tot terbeschikkingstelling. Er is geen sprake van ‘inbreng’ in de gebruikelijke zin, noch juridisch, noch economisch. 9
“Het begrip ‘massa’ heeft daarom ook een andere dan de veelal gebruikelijke inhoud: de door partijen ter beschikking gestelde onroerende zaken houden hun kenmerken van vorm, afmetingen en oppervlakte. Eerst bij het verkavelen, het vormen van de gewenste kavels, kan daarin wijziging komen, afhankelijk van de door partijen overeengekomen wijzigingen, ”10
Duidelijke taal. De boodschap van Preller is kennelijk dat de gedachten aan titel 3.7 BW volledig losgelaten dienen te worden wanneer men de wereld van de kavelruil betreedt. De gedachte aan de ‘eigen rechtssfeer’ van de kavelruil komt hier weer duidelijk naar voren.11
Ondanks deze duidelijke woorden van Preller is er bij mij, gezien de eveneens duidelijke verwijzingen naar de ‘verdeling’ in de wettekst(en), twijfel ontstaan: is het echt zo dat, ondanks de gebruikte terminologie in de wettekst, iedere gedachte aan de civielrechtelijke verdeling resoluut dient te worden verworpen? Een nader onderzoek (op hoofdlijnen) naar de (mogelijke) connectie tussen kavelruil en verdeling is, ook bij gebrek aan voldoende nadere juridische onderbouwing in de voorgaande geciteerde passages, in mijn opinie toch gerechtvaardigd.