Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/3.4.1
3.4.1 Kwaliteit van besluitvorming door groepen en individuen
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174164:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Bauw, Van Dijk & Sonnemans 2013; Van Dijk, Sonnemans & Bauw 2012.
De auteurs merken op dat in een eerder vergelijkbaar experiment is vastgesteld dat rechters in opleiding, rechtenstudenten en andere studenten niet wezenlijk verschillen in hun beslisgedrag.
In een moeilijke zaak werden bijvoorbeeld de volgende gegevens verstrekt: een persoon wordt verdacht van een misdrijf, waarvoor het bewijs uit de volgende onafhankelijke bewijsmiddelen bestaat: één belastend bewijsmiddel met bewijskracht 1,5; drie belastende bewijsmiddelen met bewijskracht 2,33; twee ontlastende bewijsmiddelen met bewijskracht 0,43. In deze zaak is veel en tegenstrijdig bewijs, waardoor ze als moeilijk geldt. De objectieve kans op schuld is slechts 78 procent, waardoor de rationeel optimale beslissing bij risiconeutraliteit dan vrijspraak luidt.
Gezien de opvattingen in de literatuur en rechtspraak over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak (zie hoofdstuk 10) zijn er goede redenen om aan te nemen dat besluitvorming in groepen gemiddeld tot kwalitatief betere resultaten leidt. Lange tijd is er voor die vooronderstelling echter weinig empirisch bewijs geleverd, in elk geval voor zover het rechterlijke besluitvorming betrof (zie paragraaf 3.2.2). Van Dijk, Sonnemans & Bauw hebben in 2012 met een experiment onderzocht of individuen aantoonbaar meer fouten maken in hun besluitvorming dan groepen (of andersom).1 Het experiment draaide om de inschatting van onzekerheden waar rechters in de strafrechtspleging mee te maken krijgen. Noodzakelijkerwijs moest er geabstraheerd worden om het experiment niet te laten verstoren door factoren die in de praktijk wel voorkomen, maar in het experiment niet. De beslisproblemen werden geformuleerd als strafzaken waarin een oordeel moest worden gegeven over de bewezenverklaring.
Het experiment werkte als volgt. Bijna honderd studenten zonder specifiek juridische achtergrond moesten verdachten in dertig fictieve strafzaken vrijspreken of veroordelen.2 In elke zaak werden drie tot zes bewijsmiddelen gepresenteerd die voor de verdachte belastend of juist ontlastend konden zijn. Elk bewijsmiddel had een bepaalde bewijskracht. Die werd uitgedrukt als likelihood ratio, dat wil zeggen de verhouding tussen de kans dat het bewijs gevonden wordt als de verdachte schuldig is en de kans dat het bewijs gevonden wordt als de verdachte onschuldig is. Met een hoge bewijskracht was de kans dus groot dat de verdachte het misdrijf had begaan, waardoor hij in dit experiment veroordeeld moest worden.3
Om de deelnemers tot goede prestaties aan te zetten, konden ze geld verdienen met een correcte beslissing en verspelen met een incorrecte beslissing. De kosten van een feitelijk incorrecte veroordeling waren hoger dan van een feitelijk incorrecte vrijspraak, vanwege de ernst van eerstgenoemde fout. Eerst beslisten de deelnemers individueel of de verdachten schuldig of onschuldig waren. Vervolgens werden de deelnemers willekeurig in groepen van drie ingedeeld en konden zij overleggen door middel van een chatsessie. Iedere groepsdeelnemer nam daarna een beslissing. De meerderheid van stemmen bepaalde uiteindelijk de beslissing van de meervoudige kamer.
De resultaten van het experiment waren als volgt. In moeilijke zaken maakten de groepen van drie in hun besluitvorming significant minder fouten dan individuen. Met name maakten groepen veel minder de ernstigste fout die de deelnemers konden maken, namelijk veroordeling van onschuldigen. Als de leden van een groep niet overlegden maar hun individuele, onafhankelijk genomen beslissingen slechts werden opgeteld, waarbij het oordeel van de meerderheid bepalend was voor het groepsoordeel, leidde dit in ingewikkelde zaken ook tot betere resultaten dan bij enkelvoudige besluitvorming. Groepen scoorden echter niet altijd beter: in eenvoudige zaken met hoge kans op schuld was het resultaat na overleg opvallend genoeg slechter. De deelnemers konden elkaar namelijk ook op het verkeerde spoor brengen. In andere eenvoudige zaken was de meerwaarde van overleg nihil: het simpelweg optellen van de individuele beslissingen van een groep resulteerde even vaak in correcte eindbeslissingen. Gelet op de tijd die beraadslagingen vergen is het volgens de onderzoekers dus efficiënt om raadkameroverleg in eenvoudige zaken achterwege te laten, mits de deelnemers voldoende capabel zijn.
De onderzoekers deden nog andere belangwekkende constateringen. Zo kwamen de deelnemers in de raadkamer in 82 procent van de zaken onafhankelijk van elkaar tot dezelfde uitkomst. Dit aandeel steeg zelfs tot 94 procent als ze met elkaar hadden geraadkamerd. Discussie bracht deelnemers er dus soms toe hun aanvankelijke beslissingen te wijzigen – door overtuiging, vertrouwen in anderen of groepsdruk wellicht. In het experiment werd ook onderzocht of deelnemers leerden van het raadkameren. Daartoe werden de resultaten van hun puur individuele beslissingen (zonder dat er na afloop werd overlegd) vergeleken met de beslissingen die werden genomen nadat ze in de gelegenheid waren gesteld erover te discussiëren. Door deze discussie zouden de deelnemers dus kunnen leren in volgende zaken waarin een individuele beslissing werd verlangd. Inderdaad werden individuele beslissingen beter als deelnemers na afloop van het beslissen steeds beraadslaagden. Raadkameren zorgde dus voor leereffect.