Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.4.3
2.4.3 Relevante factoren
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233751:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 11 maart 1918, 246 U.S. 297 (Oetjen v. Central Leather Company), 302.
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller).
U.S. Supreme Court 10 juni 1946, 328 U.S. 549 (Colegrove v. Green), 556 (plurality).
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller), 454.
U.S. Supreme Court 1 januari 1839, 38 U.S. 415 (Williams v. Suffolk Insurance Company), 420.
U.S. Supreme Court 3 januari 1849, 48 U.S. 1 (Luther v. Borden), 38-39.
U.S. Supreme Court 19 februari 1912, 223 U.S. 118 (Pacific States Telephone and Telegraph Company v. Oregon), 141-142.
De in dit hoofdstuk besproken rechtspraak biedt steun voor beide varianten van de doctrine. Vooral in de zaken over het buitenlands beleid hield het Hof, in lijn met de klassieke variant, uitdrukkelijk rekening met de Amerikaanse Grondwet. Daarbij moet worden bedacht dat de Amerikaanse Grondwet aan de President en aan het Congres uiteenlopende bevoegdheden toekent om dit beleid vorm te geven. Dit grondwettelijke karakter van de bevoegdheden van de President en het Congres op het gebied van het buitenlands beleid speelde in de hiervoor besproken rechtspraak een belangrijke rol. In de zaak Oetjen v. Central Leather Company over de soevereiniteit van buitenlandse mogendheden overwoog het Hof bijvoorbeeld:
‘The conduct of the foreign relations of our government is committed by the Constitution to the executive and legislative – ‘the political’ – departments of the government, and the propriety of what may be done in the exercise of this political power is not subject to judicial inquiry or decision.’1
Ook in de besproken zaken over de zogenoemde Guarantee Clause speelde de Amerikaanse Grondwet vanzelfsprekend een belangrijke rol. Zoals beschreven moet deze grondwettelijke bepaling volgens het Hof zo worden uitgelegd dat handhaving daarvan moet worden geacht aan het Congres te zijn opgedragen. Tot een vergelijkbaar oordeel kwam het Hof in Coleman v. Miller met betrekking tot artikel V van de Amerikaanse Grondwet, waarin de procedure voor het aannemen van een grondwetswijziging is neergelegd.2
Opvallend is dat het Hof in de hiervoor besproken zaken vaak ook verwees naar de aard van het voorliggende geschil. Dit geldt niet alleen voor de zaken over de vormgeving van het buitenlands beleid, op welk gebied beslissingen vaak bij uitstek een politiek karakter hebben, maar ook voor diverse andere zaken. In Colegrove v. Green over de indeling van kiesdistricten overwogen sommigen leden: ‘Courts ought not to enter this political thicket.’3 En in Coleman v. Miller wezen sommige leden erop dat het vaststellen van een termijn voor het aannemen van een amendement op de Amerikaanse Grondwet afhankelijk is van politieke, economische en sociale factoren. Dit maakte het geschil volgens deze leden ‘essentially political’.4
Daarnaast hield het Hof in sommige zaken mede rekening met de mogelijke gevolgen die een inhoudelijk oordeel kon hebben. Ter illustratie hiervan kan worden gewezen op de zaak Williams v. Suffolk Insurance Company over de soevereiniteit over de Falklandeilanden. Zoals beschreven, oordeelde het Hof in die zaak dat de erkenning van de soevereiniteit van een buitenlandse mogendheid een political question is. Dit oordeel was niet alleen ingegeven door de grondwettelijke bevoegdheden van de andere staatsmachten op het gebied van het buitenlands beleid, maar ook door een vrees van het Hof voor tegenstrijdige standpunten van de verschillende staatsmachten over een en hetzelfde onderwerp:
‘If this were not the rule, cases might often arise in which, on the most important questions of foreign jurisdiction, there would be an irreconcilable difference between the executive and judicial departments. By one of these departments a foreign island or country might be considered as at peace with the United States whilst the other would consider it in a state of war. No well-regulated government has ever sanctioned a principle so unwise and so destructive of national character.’5
Ook in de zaken over de Guarantee Clause hield het Hof duidelijk rekening met de gevolgen van een inhoudelijk oordeel. In Luther v. Borden overwoog het dat een eventueel oordeel dat het staatsbestel in Rhodes Island niet aan de Guarantee Clause voldeed ingrijpende gevolgen zou hebben. Volgens het Hof zou dat oordeel burgers de mogelijkheid bieden iedere belasting en andere verplichting tegenover de overheid ter discussie te stellen. Burgers zouden op basis daarvan zelfs het hele bestaan van een deelstaat en alle daarin geldende wetten en regels ter discussie kunnen stellen:
‘[T]he question presented is certainly a very serious one. For if this court is authorized to enter upon this inquiry as proposed by the plaintiff, and it should be decided that the charter government had no legal existence during the period of time above mentioned, if it had been annulled by the adoption of the opposing government, then the laws passed by its legislature during that time were nullities, its taxes wrongfully collected, its salaries and compensation to its officers illegally paid, its public accounts improperly settled, and the judgments and sentences of its courts in civil and criminal cases null and void, and the officers who carried their decisions into operation answerable as trespassers, if not, in some cases, as criminals. When the decision of this court might lead to such results, it becomes its duty to examine very carefully its own powers before it undertakes to exercise jurisdiction.’6
In Pacific States Telephone and Telegraph Company v. Oregon wees het Hof opnieuw op de ingrijpende gevolgen van het eventuele oordeel dat de inrichting van het openbaar bestuur van een deelstaat onverenigbaar is met de Guarantee Clause:
‘In other words, the propositions each and all proceed alone upon the theory that the adoption of the initiative and referendum destroyed all government republican in form in Oregon. This being so, the contention, if held to be sound, would necessarily affect the validity not only of the particular statute which is before us, but of every other statute passed in Oregon since the adoption of the initiative and referendum. And indeed the propositions go further than this, since, in their essence, they assert that there is no governmental function, legislative or judicial, in Oregon, because it cannot be assumed, if the proposition be well founded, that there is at one and the same time one and the same government which is republican in form and not of that character.’7