Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.7.1:7.7.1 Congres VERA /NCD
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/7.7.1
7.7.1 Congres VERA /NCD
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350382:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.A.P. Bosman, Marktwaarde verdeelt ondernemers en accountants, Tijdschrift Financieel Management TFM 1994/1, blz. 55-62.
R.W.J.M. Bonnier, Marktwaarde als ondernemingsdoelstelling, in VERA/ NCD-bundel, blz. 1727.
J. Klaassen, Marktwaarde: tekortkomingen in de klassieke verslaggeving?, in VERA/NCD-bundel, blz 67-76.
G.G.M. Bak, Waardebepaling van de onderneming en de rol van de accountant, in VERA/ NCD-bundel, blz. 77-86.
T.a.p., blz. 83.
T.a.p., blz. 60.
T.a.p., blz. 86.
Ta.p., blz. 85.
Ta.p., blz. 85.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar aanleiding van het congres VERA /NCD publiceerde Bosman1 een artikel in het Tijdschrift Financieel Management (TFM) onder de veelzeggende titel: 'Marktwaarde verdeelt ondernemers en accountants'. Aangaande de problematiek die daarin aan de orde wordt gesteld, geeft Bosman aan dat met name economen oordelen dat het jaarverslag (waarin de door accountants gecertificeerde jaarrekening is verwerkt) absoluut geen indicatie geeft voor de feitelijke waarde van die onderneming op dat moment. Zo worden dan ook steeds meer geluiden waarneembaar dat de marktwaarde-rapportering binnen tien jaar de traditionele externe verslaggeving zal hebben vervangen.
Met zijn inleiding die de titel draagt 'Marktwaarde, waarom eigenlijk?' haakt congresvoorzitter Traas (bedrijfseconoom) in op de controverse tussen accountants en economen aangaande de functie die de jaarrekening vervult bij de waardebepaling van de onderneming. Zijn bezwaar tegen de traditionele balans in de jaarrekening is dat deze te weinig immateriële activa bevat. Volgens hem zijn deze activa (die een belangrijke winstpotentie kunnen hebben) vaak al gesloopt door de voorzichtigheidshamer van de accountants waardoor activering achterwege is gebleven. Dit heeft tot gevolg dat te veel investeringen in kennis en andere immateriële zaken als kosten worden verwerkt, terwijl ze voor de duidelijkheid beter :gematched' zouden kunnen worden met toekomstige opbrengsten, dat wil zeggen als kosten zouden moeten worden genomen naar rato van de daaraan gekoppelde opbrengststroom.
In zijn bijdrage 'Marktwaarde als ondernemingsdoelstelling' belicht Bonnier2 het begrip marktwaarde in relatie tot de jaarrekening, vanuit de optiek van de ondernemer. Hij geeft aan dat het management evenwichtig rekening moet houden met de belangen van de betrokken `stakeholders' in de onderneming en de korte- en lange-termijnondernemingsdoelstellingen. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de contante waardeberekening relatief subjectief is en het effect gedempt wordt door de discontering. Anderzijds is het onder het mom van `it is better to be approximately right then precisely wrong', volgens Bonnier verstandiger een poging te doen om een ondernemingswaarde te calculeren dan zonder meer uit te gaan van de intrinsieke waarde (die sowieso fout is). De berekening van de ondernemingswaarde en de vergelijking met de beurswaarde kan het management een aantal duidelijke signalen geven ten behoeve van het realiseren van de ondernemingsdoelstellingen.
Bonnier is ervan overtuigd dat de accountants het gebruik van cashflow-rapportering moeten bevorderen, zowel over de verstreken (als deel van de jaarrekening) als over de toekomstige periodes (bij de bepaling van de ondernemingswaarde). In wezen wijst Bonnier erop dat de marktwaarde als 'tooi of management control' gezien moet en gebruikt kan worden.
Zoals inmiddels duidelijk moge zijn, moet bij de waardebepaling van een onderneming met diverse aspecten rekening worden gehouden. Balanswaardering op basis van de marktwaarde is volgens Klaassen3 voor het verantwoordingsdoel van de jaarrekening uitgesloten en bovendien voor de berekening van de marktwaarde irrelevant aangezien deze berekend wordt door uit te gaan van de contante waarde van de toekomstige vrije kasstromen.
Bij de berekening van de intrinsieke waarde (accounting concept of value) spelen volgens Klaassen vooral de realisatieconventie en de voorzichtigheid een rol, concepties die voor de accountant een niet te onderschatten rol van betekenis spelen. Bij de berekening van de marktwaarde (economic concept of value) baseert men zich op toekomstige kasstromen, waarbij de balansposities niet of nauwelijks van betekenis zijn. Klaassen meent overigens dat het activeren van immateriële activa alleen zou moeten worden toegestaan als de bijdrage aan de toekomstige winstcapaciteit aantoonbaar is.
Illustratief is de volgende opmerking van Klaassen `...dat vooral de onzekerheid en de meetproblematiek die bij vaste activa en voorzieningen in sterke mate bestaan, ertoe leiden dat we bij de waardering en winstbepaling de steen der wijzen zoeken.'
Klaassen oordeelt dat tekortkomingen in de klassieke verslaggeving allereerst hun oorzaak vinden in het feit dat bij de huidige verslaggeving uitgegaan wordt van zogenaamde general purpose reporting. Dat wil zeggen een vorm van verslaggeving waarbij meerdere groepen gebruikers iets van hun gading in de rapportage moeten kunnen vinden. Hij vat voor de duidelijkheid de kenmerken van het huidige verslaggevingssysteem in een aantal basisprincipes samen:
matching: het toerekenen van kosten aan de periode waarin de daarmee samenhangende opbrengsten vallen;
realisatie: pas winst bij verkoop;
voorzichtigheid.
Daarnaast geldt een aantal alternatieve waarderingsgrondslagen, waarvan niet vaststaat welke de beste is. Volgens Klaassen pleiten bepaalde aspecten voor het ene alternatief en andere aspecten voor het andere. Als echter regelgevers harmonisatie nastreven, moeten zij toch geforceerd kiezen waardoor niet elke belanghebbende partij bij een jaarrekening tevreden gesteld kan worden.
Klaassen ziet de eigenlijke doelstellingen van de jaarrekening als volgt:
verantwoording over het gevoerde beleid
hulpmiddel bij financiële beslissingen.
Naast deze doelstellingen dient de jaarrekening in de visie van Klaassen zoveel mogelijk indicaties te bieden voor de waardebepaling van de onderneming, gebaseerd op normalisering van het resultaat en het cash flow-niveau. De balans speelt daarbij slechts een beperkte rol. Belangrijk is het verstrekken van relevante toelichtingen waaruit blijkt welke keuzes de onderneming heeft gemaakt. Ook segmentatie en toelichting op incidentele resultaatposten dient volgens Klaassen in de toekomst meer aandacht te krijgen. Deze informatieverschaffing verschaft de gebruiker van de jaarrekening een duidelijker inzicht in de waarde van de onderneming.
Terzijde is de rol van de accountant bij de jaarverslaggeving reeds ter sprake gekomen. Bak4 opent zijn bijdrage Waardebepaling van de onderneming en de rol van de accountant' met de nogal gewaagde stelling: Het eigen vermogen volgens de jaarrekening heeft evenmin iets te maken met de waarde van de onderneming als windkracht op de thermometer kan worden afgelezen.
Door middel van substitutie in een formule geeft hij aan dat de intrinsieke waarde (IW) geen enkele rol speelt bij de koopprijs/ waardebepaling van een onderneming. De enige relevante gegevens zijn volgens hem de winstcapaciteit en de rendementseis.
Bak onderschrijft ten volle het belang van de marktwaarde van de onderneming, maar kent daarnaast aan de jaarlijkse financiële verantwoording een zelfstandige betekenis toe. Volgens hem twijfelt niemand aan het belang van toekomstgerichte informatie. Maar alvorens deze 'in te dikken' tot marktwaarde is het beter de samenstellende elementen zo lang mogelijk afzonderlijk te presenteren. De balans is daar niet het juiste instrument voor. Anders dan prospectieve informatie als zodanig (een prognose van het jaarlijks resultaat) wordt de marktwaarde volgens Bak in overwegende mate bepaald door subjectieve parameters, zoals risicofactor, rentevoet en dergelijke.'5
Met recht wijst Bosman6 erop dat Bak de bedrijfseconomen volgt die meer immateriële activa als investeringen willen zien, maar dan niet tegen de marktwaarde gewaardeerd, maar tegen de historische kostprijs, net zoals bij vaste activa. Binnen het `conceptual framework' van de International Accounting Standards Committee (IASC) mogen immateriële activa op de balans worden gezet en afgeschreven over de economische levensduur. Afwaardering moet plaatsvinden, evenals bij de vaste activa, als de geactiveerde bedragen een lagere of geen waarde meer hebben. Toerekening van de marktwaarde van de onderneming aan de marktwaarde van individuele productiefactoren acht Bak7 een nutteloze aangelegenheid. Met die informatie is noch management accounting, noch financial accounting gediend.
Vaak zijn immateriële activa gekoppeld aan vaste activa. Vroeger werden deze immateriële activa niet meegenomen en ontstond een veiligheidszone voor de eventuele afwaardering van vaste activa. De indirecte opbrengstwaarde van een (materieel) productiemiddel bestaat volgens Bak8 grotendeels bij de gratie van andere (niet-materiële) productiemiddelen die niet zijn geactiveerd. Naarmate er meer immateriële activa worden geactiveerd daalt in zijn visie de indirecte opbrengstwaarde van de materiële activa.
Deze uitspraak is op zijn minst opmerkelijk te noemen omdat uit de fiscale jurisprudentie inzake het begrip bedrijfswaarde blijkt dat aan het immateriële activum goodwill (afgezien van persoonlijke goodwill) zelfstandige betekenis wordt ontzegd. Dit betekent dat de in de onderneming aanwezige goodwill bij de bedrijfswaardebepaling van afzonderlijke bedrijfsmiddelen, aan die zelfde bedrijfsmiddelen wordt toegerekend.
Indien zowel materiële als immateriële activa op de balans staan, is de veiligheidszone aangaande een juiste waardering aanzienlijk gekrompen en moet de accountant eerder 'aan de bel trekken'. Volgens Bak9 is het een historisch a priori dat een negatieve waardebijstelling van bedrijfsmiddelen zou beginnen bij de immateriële activa, zij zullen het eerst worden afgewaardeerd nog \TO& de materiële activa.