Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.8:7.3.8 De contractuele relativiteit en het bevel en verbod
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.8
7.3.8 De contractuele relativiteit en het bevel en verbod
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692178:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Krans 1999, p. 146 e.v.; Van der Kooij 2019, p. 282 e.v.; Beumers 2021, p. 272 e.v.
PG Boek 6, p. 341.
Krans vindt een afzonderlijke contractuele relativiteitseis niet nodig omdat door toepassing van de bestaande mechanismen rekening kan worden gehouden met de strekking van contractuele verplichtingen. Zie Krans 1999, p. 148.
Van der Kooij 2019, p. 283.
Van der Kooij 2019, p. 285.
Beumers 2021, p. 281
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
362. Hiervoor heb ik het steeds gehad over de relativiteit bij onrechtmatigheid. Ook bij contractuele normen wordt wel gesproken over (contractuele) relativiteit.1 Het leerstuk contractuele relativiteit kent geen wettelijke basis. Een bepaling zoals art. 6:163 BW, is voor overeenkomsten niet aan te wijzen. In de parlementaire toelichting op art. 6:98 BW is echter opgenomen dat er geen reden is de gelding van het relativiteitsbeginsel te beperken tot het terrein van de onrechtmatige daad: ‘Ook bij de verplichting tot schadevergoeding wegens het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis zal men zich telkens moeten afvragen, of de strekking van de overtreden norm was, de schuldeiser te beschermen tegen schade van het in concreto voorgevallen type en ingetreden op de wijze als in feite is geschied.’2
363. Als al wordt gesproken over contractuele relativiteit3, dan gebeurt dat in het kader van de vraag of een contractueel beding strekt tot bescherming tegen een bepaalde vorm van schade. De contractuele relativiteit wordt dan aangewend om bij schending van een contractuele norm de aansprakelijkheid aan de hand van het doel van die norm te begrenzen.4 De vaststelling van het doel van de overtreden norm vindt plaats door de bedoeling die partijen bij het sluiten van de overeenkomst hadden, uit te leggen.5 De uitleg van een contractuele bepaling kan er op die manier toe leiden dat wordt geconcludeerd dat een contractsbepaling uitsluitend bepaalde belangen van een partij beschermt en andere belangen, zoals immateriële belangen, niet.6
364. Voor het rechterlijk bevel en verbod kan het leerstuk van de contractuele relativiteit worden gemist. Bij een rechterlijk bevel of verbod in het contractenrecht zal het immers gaan om een nakomingsbevel. In veruit de meeste gevallen zal er geen discussie over kunnen bestaan dat een verbintenis uit overeenkomst is aangegaan om te worden nagekomen. Die nakoming is immers de bestaansreden van een overeenkomst en de contractuele relativiteit is ten aanzien van de nakoming daarom in de regel gegeven met het sluiten van de overeenkomst. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal dat anders zijn, namelijk wanneer de aard van de overeenkomst aan een nakomingsbevel in de weg staat of wanneer partijen een nakomingsactie hebben uitgesloten. Van de eerste situatie zal sprake zijn bij bijvoorbeeld ‘gentlemen’s agreements’ of natuurlijke verbintenissen. De tweede situatie kan zich voordoen wanneer partijen redenen hebben gezien om een nakomingsbevel uit te sluiten. Om te concluderen dat zich een van deze situaties voordoet, moet uitleg van de contractsbepalingen plaatsvinden. Die uitleg zal mede de bedoeling van partijen moeten omvatten. Art. 3:296 BW voorziet echter al in de situatie dat uit de aard van de verplichting of uit een rechtshandeling voortvloeit dat nakoming niet kan worden bevolen. De contractuele relativiteit komt op die manier tot uitdrukking in twee specifieke uitzonderingsgronden op de hoofdregel dat nakoming kan worden bevolen.