Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.4.3.2
4.2.6.4.3.2 Beperkte zakelijke gebruiksrechten op onroerend goed
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291608:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een recht van grondrente is een schuldplichtigheid hetzij in geld hetzij in voortbrengselen of vruchten, die de eigenaar van een onroerend goed daarop vestigt, of bij vervreemding of vermaking daarvan te zijnen voordele of ten voordele van een derde voorbehoudt (Boek III, art. 784 oud-BW). Het recht van grondrente geeft de rechthebbende de bevoegdheid om de vervallen rente op de daarvoor verbonden grond met voorrang te verhalen. Het zakelijke recht van grondrente komt in het huidige BW niet meer voor, maar blijft op grond van art. 150 lid 3 Overgangswet BW onderworpen aan de regels die voor de inwerkingtreding van het huidige BW golden (S.E. Bartels, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/7 (online, bijgewerkt op 21 november 2016)).
MvT, Kamerstukken II 1967/68, 9324, p. 31 en MvT, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 17.
Onder de vestiging van een zakelijk recht moet de juridische vestiging worden verstaan, aangezien bij een economische vestiging van deze rechten (nog) geen sprake is van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed (HR 27 september 2002, nr. 34.631, BNB 2003/41, m.nt. Van Kesteren). Dat nog geen sprake is van een zakelijk gebruiksrecht als bedoeld in art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn betekent dat de economische vestiging van een beperkt zakelijk recht op een onroerend goed geen levering kan zijn (G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 263). Anders: H.W.M. van Kesteren, ‘Het begrip “levering”, WFR 2009/1332.
Dit zakelijke recht, dat vrijwel uitsluitend in de provincie Groningen voorkomt, geeft de gerechtigde (de zogenoemde ‘beklemde meier’) de bevoegdheid de grond van de eigenaar te houden, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten, onder de verplichting de eigenaar een vaste jaarlijkse huur te betalen, en bovendien een bedrag te betalen bij overdracht en vererving van het recht en als de meier in het huwelijk treedt (Vakstudie, Lokale belastingen, WOZ en milieuheffingen, art. 24 WOZ, aant. 5.2.9 (online, bijgewerkt t/m 15 maart 2021)). Het zakelijke recht van beklemming komt in het huidige BW niet meer voor, maar op grond van art. 150 Overgangswet BW blijven op de gevestigde rechten van beklemming de regels van toepassing die voor de inwerkingtreding van het nieuw BW golden (S.E. Bartels, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/7 (online, bijgewerkt op 21 november 2016)). In dit onderzoek zal dit recht verder onbesproken blijven.
MvA, Kamerstukken II 1967/68, 9324, p. 61 en MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 16.
Hof ’s Gravenhage 25 november 1987, nr. 165/87, V-N 1988/1293,27, Hof Amsterdam 18 juni 1998, nr. 97/1397, V-N 1999/9.19, Hof Arnhem 11 maart 1999, nr. 97/0405, V-N 1999/28.2.2, HR 28 april 1999, nr. 33.482, BNB 1999/349, m.nt. Van Zadelhoff, HR 9 juli 1999, nr. 34.384, BNB 1999/351, m.nt. Van Zadelhoff, HR 24 augustus 1999, nr. 34.514, BNB 1999/439, m.nt. Van Zadelhoff, Hof Amsterdam 24 maart 2005, nr. 04/2518, V-N 2000/33.18, Hof ’s Hertogenbosch 14 februari 2007, nr. 97/21025, V-N 2007/33.1.5.
In gelijke zin: R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 85.
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 329.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 28. Anders: D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 25 en T.K.M. Rookmaaker-Penners, Cursus Belastingrecht OB.2.1.2.G.a (online, bijgewerkt t/m 17 februari 2021).
HR 22 november 1989, nr. 25.737, BNB 1990/37. In gelijke zin: besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 4.1 en R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 85.
Op grond van het Nederlandse civiele recht kwalificeert het recht van hypotheek als een zakelijk zekerheidsrecht op een onroerend goed en kwalificeren de rechten van erfpacht, opstal, vruchtgebruik (inclusief de rechten van gebruik en bewoning) en erfdienstbaarheid op een onroerend goed als zakelijke gebruiksrechten. Dat art. 3 lid 2 Wet OB de zekerheidsrechten van hypotheek en grondrente1 de toegang tot de ‘leveringspoort’ ontzegt, is in overeenstemming met art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn (zie pararaaf 4.2.6.4.1). In de tekst van art. 3 lid 2 Wet OB is de beperking tot zakelijke (gebruiks)rechten niet duidelijk te lezen, maar uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen’ in art. 3 lid 2 Wet OB (conform art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn) uitsluitend betrekking heeft op beperkte zakelijke (gebruiks)rechten.2 Ook op dit punt strookt art. 3 lid 2 Wet OB met art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn.
In Nederland kunnen op onroerende goederen geen andere beperkte zakelijke gebruiksrechten worden gevestigd3 dan de rechten van erfpacht, opstal, vruchtgebruik (met inbegrip van de rechten van gebruik en bewoning) en erfdienstbaarheid. Uit de omstandigheid dat art. 5 Uitv.besl. OB alleen de rechten van erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid en beklemming4 met name noemt, kan niet (a contrario) worden afgeleid worden dat art. 3 lid 2 Wet OB geen betrekking heeft op het recht van vruchtgebruik (met inbegrip van de rechten gebruik en bewoning). De tekst van art. 3 lid 2 Wet OB noch de parlementaire geschiedenis5 bieden grond voor de opvatting dat het recht van vruchtgebruik is uitgesloten. In de nationale jurisprudentie is art. 3 lid 2 Wet OB dan ook terecht van toepassing geacht op de vestiging het recht van vruchtgebruik op een onroerend goed.6
Het bepaalde in art. 3 lid 2 Wet OB is niet van toepassing op appartementsrechten met een aandeel in de eigendom van een onroerend goed.7 Door de splitsing van de eigendom in appartementsrechten wordt het eigendomsrecht immers vervangen door een bepaald aantal appartementsrechten.8 Omdat een ‘moederrecht’ ontbreekt, is geen sprake van een beperkt zakelijk recht.9 Een appartementsrecht met een aandeel in de eigendom van het onroerend goed wordt reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn en art. 3 lid 1 Wet OB (en dus zonder meer) vereenzelvigd met het gedeelte van het onroerend goed waarop dit recht betrekking heeft (zie paragraaf 4.2.3.3.2). Bij splitsing van een beperkt zakelijk recht van erfpacht of opstal op een onroerend goed in appartementsrechten ligt dat anders. Voor appartementsrechten met een aandeel in een recht van erfpacht of opstal op een onroerend goed is het bepaalde in art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn en art. 3 lid 2 Wet OB wel van belang.10
De opbouw van deze paragraaf is als volgt. In de paragrafen 4.2.6.4.3.2.1 tot en met 4.2.6.4.3.2.5 wordt op hoofdlijnen ingegaan op de rechten van erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik en bewoning en erfdienstbaarheid. Hierbij wordt tevens ingegaan op de vraag of het toepassen van art. 3 lid 2 Wet OB op deze rechten in strijd is met (het doel van) art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn. In paragraaf 4.2.6.4.3.2.6 wordt ten slotte ingegaan op de vraag of art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn en art. 3 lid 2 Wet OB ook van toepassing kan zijn bij een stapeling van beperkte zakelijke gebruiksrechten.
4.2.6.4.3.2.1 Recht van erfpacht4.2.6.4.3.2.2 Recht van opstal4.2.6.4.3.2.3 Recht van vruchtgebruik4.2.6.4.3.2.4 Rechten van gebruik en bewoning4.2.6.4.3.2.5 Recht van erfdienstbaarheid4.2.6.4.3.2.6 Stapeling van beperkte gebruiksrechten