Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/9.4
9.4 Een bijzonder geval: eigendomsvoorbehoud en subrogatie
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394924:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zevenbergen 1938, p. 97-98, Van Vrijberghe de Coningh 1943, p. 28, Veenhoven 1955, p. 36-37, Kortmann 1994, p. 750-751, Faber & Van Hees 1994, p. 196, Bergervoet 2014, p. 299 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 555 (zij het iets terughoudender dan in de voorgaande druk). In deze richting ook Mijnssen 1991, p. 186 en Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 492.
In die zin wel Zevenbergen 1938, p. 98-99.
M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Van Dijk 1940, p. 75, Vriesendorp 1985a, p. 118-119, Mezas 1985, p. 30, A-G Hartkamp in punt 6 van diens conclusie voor HR 24 april 1992, NJ 1992, 463 (Heidenreich/Alcredis) en in punt 10 (terughoudender in punt 12) van diens conclusie voor HR 18 februari 1994, NJ 1994, 462 m.nt. W.M. Kleijn (Nijverdal Ten Cate/ Wilderink q.q.), punt 3 van de noot van W.M. Kleijn onder dit arrest, Snijders 1993, p. 166, Vriesendorp 1994, p. 293-294 en Schuijling 2017, p. 23. In die richting ook Reehuis 2013, nr. 112. In punt 13 van de noot van S.C.J.J. Kortmann & N.E.D. Faber onder HR 3 juni 2016, JOR 2016, 287 (Rabobank/Reuser) en punt 5 van de noot van N.E.D. Faber onder Rb. Noord-Nederland 12 oktober 2015, JOR 2016, 321 wordt verdedigd dat voldoening van de vordering door degene die een pandrecht op het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft, tot gevolg heeft dat dit voorwaardelijk eigendomsrecht uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht en dat de pandhouder in de voldane vordering wordt gesubrogeerd, waaruit lijkt te moeten worden afgeleid dat Faber en Kortmann op hun in voetnoot 32 genoemde standpunt zijn teruggekomen.
Zie HR 3 oktober 1980, NJ 1981, 60 m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Schriks q.q.), rov. 2.
HR 18 februari 1994, NJ 1994, 462 m.nt. W.M. Kleijn (Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.), rov. 3.4.
HR 22 januari 1942, NJ 1942, 289 (Kouman/Horsten q.q.).
Zie voor Duitsland Serick 1963, p. 215-217 en p.427, BGH 15 juni 1964, NJW 1964, 1788, Staudinger/Horn 2012, § 774 BGB, Rn. 21 en MünchKomm-BGB/Habersack 2017, § 774 BGB, Rn. 10 en voor Oostenrijk OGH 31 januari 1962, zaaknr. 3Ob465/61, OGH 22 januari 1986, zaaknr. 3Ob1001/86 en Rummel/Gamerith 2002, § 1358 ABGB, Rn. 5 en Schwimann & Kodek/Faber 2016, § 1358 ABGB, Rn. 17. Voor het geval van betaling door een andere derde lijkt in Duitsland als uitgangspunt echter eveneens te worden aangenomen dat de voorwaarde in vervulling gaat. Zie BGH 5 mei 1971, NJW 1971, 1453, A. Wacke, ‘Die nachträgliche Ablösung des Eigentumsvorbehalts durch ein Finanzierungsinstitut’, JuS 1973, p. 683-685 en MünchKomm- BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 22.
Frotz 1970, p. 159-160 en Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 645-656. Afwijkend is de opvatting van Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 8 en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 104, die bij cessie van de vordering de overgang van rechtswege van de voorbehouden eigendom verwerpen, maar bij betaling door een derde wel uitgaan van overgang van rechtswege.
Zie bijv. OGH 31 januari 1962, zaaknr. 3Ob465/61 en OGH 22 januari 1986, zaaknr. 3Ob1001/86 (zie t.a.v. deze rechtspraak echter hiervoor in de hooftekst behorende bij voetnoot 18), Rummel/Gamerith 2002, § 1358 ABGB, Rn. 5, Rummel/Reischauer 2002, § 1422 ABGB, Rn. 21 en Schwimann & Kodek/Faber 2016,§ 1358 ABGB, Rn. 17.
Zo ook Vriesendorp 1985a, p. 118-119.
Vriesendorp 1994, p. 294.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.5.
Vgl. ook Korthals Altes 1933, p. 103 die er de nadruk op legt dat het voorbehouden eigendomsrecht van de verkoper geen zekerheidsrecht is, maar ‘de eigenlijke prestatie van den crediteur jegens den hoofddebiteur’ vormt.
In deze richting ook Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. 46.3.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 112.
Zo bijv. Veenhoven 1955, p. 36-39, Kortmann 1994, p. 751 en Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 8.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.
Vgl. Schürmann 1936, p. 131 die opmerkt ‘dat de borg uitsluitend gesubrogeerd wordt in de rechten van de schuldeischer, die hij heeft voldaan, dat is dus bij huurkoop in het recht van den verkooper op betaling niet echter in diens recht op terugneming.’
Korthals Altes 1933, p. 102.
Vgl. M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241, waar – m.i. echter te voorzichtig (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.7) – wordt opgemerkt dat het voorbehouden eigendomsrecht kan dienen ter bescherming van belangen van de vervreemder bij de volledige eigendom, die naar hun aard niet voor uitoefening door elke andere schuldeiser vatbaar zijn.
HR 11 december 1863, W. 2549. Anders: Pitlo/Wolffensperger & Frenkel 1979, p. 387.
Vgl. Serick 1963, p. 215-216 en Bergervoet 2014, p. 165-166. Anders: A-G Hartkamp in punt 6 van diens conclusie voor HR 24 april 1992, NJ 1992, 463 (Heidenreich/Alcredis) (in welke zaak het anders dan veelal wordt aangenomen niet ging om zekerheidseigendom, maar om voorbehouden eigendom), Snijders 1993, p. 165-166 en E. Koops, Vormen van subsidiariteit (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 360 (die beiden in ieder geval van mening lijken te zijn dat soms een verplichting kan bestaan om eerst terug te grijpen op de voorbehouden eigendom), Staudinger/Horn 2012, § 772 BGB, Rn. 4 en MünchKomm-BGB/Habersack 2017, § 772 BGB, Rn. 5. Naar Oostenrijks recht heeft de borg – net als naar Nederlands recht voor zekerheidsrechten geldt – in beginsel überhaupt geen Einrede der Sachhaftung. Zie OGH 20 juni 1984, zaaknr. 7Ob575/84 en Schwimann & Kodek/Faber 2016, § 1360 ABGB, Rn. 1.
Vgl. Staudinger/Horn 2012, § 772 BGB, Rn. 4 en MünchKomm-BGB/Habersack 2017, § 772 BGB, Rn. 5, die deze constatering echter beperken tot het geval van § 508(2)S.5 BGB, hetgeen – in het licht van de juistheid van de regel van § 449 (2) BGB – inconsequent is (zie ook voetnoot 76 van hoofdstuk 5), omdat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud ook buiten het toepassingsbereik van § 508 BGB gepaard dient te gaan met ontbinding. De reden voor deze inconsequentie moet ongetwijfeld worden gezocht tegen de achtergrond van de naar Duits recht algemeen aanvaarde mogelijkheid van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud door middel van executie. Zie voor bestrijding van die opvatting hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.
Een bijzonder geval waarin het eigendomsvoorbehoud een rol zou kunnen spelen voor een derde, is aan de orde wanneer een derde – bijvoorbeeld omdat hij zich borg heeft gesteld – de door de koper verschuldigde prestatie voldoet aan de verkoper en daardoor de vordering van de verkoper op de koper bij wijze van subrogatie (art. 6:150 BW) verkrijgt. Omstreden is welke gevolgen de betaling door de derde heeft voor de door de verkoper voorbehouden eigendom en de aan de overdracht verbonden voorwaarde. Een deel van de literatuur neemt aan dat de betaling door de derde niet tot gevolg heeft dat de voorwaarde in vervulling gaat.1 De voorbehouden eigendom gaat in deze opvatting vanwege het gebrek aan afhankelijkheid weliswaar niet van rechtswege over op de derde,2 maar de verkoper kan de voorbehouden eigendom aan de derde overdragen. Voor deze opvatting valt steun te vinden in de parlementaire geschiedenis, waarin met zoveel woorden aan de orde komt dat de voorbehouden eigendom door de verkoper kan worden overgedragen aan degene die bij wijze van subrogatie de vordering heeft verkregen.3 Een ander deel van de literatuur neemt daarentegen aan dat de betaling door de derde tot gevolg heeft dat de voorwaarde in vervulling gaat, omdat de verkoper daardoor bevredigd wordt.4 De vervulling van de voorwaarde heeft vervolgens tot gevolg dat de koper de onvoorwaardelijke eigendom verkrijgt. Steun voor deze opvatting wordt geboden door het arrest Nijverdal Ten Cate/ Wilderink q.q., waarin de Hoge Raad ten aanzien van de zekerheidsoverdracht oordeelde dat betaling door de derde die in de vordering wordt gesubrogeerd in beginsel tot gevolg heeft dat de ontbindende voorwaarde van voldoening van de schuld waarvoor de eigendom tot zekerheid is overgedragen, waaronder een zekerheidsoverdracht in het algemeen placht plaats te vinden,5 in vervulling gaat.6 Als gevolg van de vervulling van de voorwaarde wordt de schuldenaar weer eigenaar van de tot zekerheid overgedragen zaak, zodat de zekerheidseigendom niet op de derde kan overgaan c.q. worden overgedragen. Een aanknopingspunt voor deze opvatting biedt ook een arrest uit 1942, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de borg na betaling aan de huurverkoper het verkopersprivilege van artikel 1185 sub 3o BW (oud) en artikel 1190 BW (oud) kan inroepen, omdat de zaak als gevolg van de betaling door de borg tot het vermogen van de koper behoort.7
Het Duitse en Oostenrijkse recht zijn op dit punt eenduidiger. Zowel in rechtspraak als literatuur wordt algemeen aangenomen dat bijvoorbeeld betaling door een borg niet tot gevolg heeft dat de voorwaarde in vervulling gaat.8 In de Duitse literatuur en rechtspraak wordt vervolgens aangenomen dat de voorbehouden eigendom bij gebrek aan accessoriëteit weliswaar niet van rechtswege overgaat op de borg, maar uit de rechtsverhouding tussen verkoper en borg desalniettemin in de regel zal voortvloeien dat de verkoper gehouden is de voorbehouden eigendom over te dragen aan de borg.9 Vergelijkbaars wordt aangenomen door de Oostenrijkse auteurs die de opvatting verwerpen dat de voorbehouden eigendom een nevenrecht is dat de vordering volgt.10 Een ander deel van de literatuur neemt, in navolging van de rechtspraak aan dat de voorbehouden eigendom van rechtswege met de vordering overgaat op de derde die in de vordering wordt gesubrogeerd.11
Naar mijn mening moet worden aangenomen dat betaling door de derde tot gevolg heeft dat de voorwaarde in vervulling gaat, als gevolg waarvan de koper onvoorwaardelijk eigenaar wordt van de verkochte zaak. De verkoper kan de voorbehouden eigendom dan ook niet meer overdragen aan de derde die de vordering bij wijze van subrogatie verkrijgt. Redengevend daarvoor acht ik de omstandigheid dat artikel 3:92 BW niet zozeer betekenis toekent aan door wie de betaling is verricht, maar enkel beslissend acht of de verkoper is bevredigd.12 Uit lid 1 blijkt dat vermoed wordt dat de opschortende voorwaarde inhoudt dat de verschuldigde prestatie wordt voldaan. Daarvan is ook sprake als een derde de verschuldigde prestatie voldoet. Niet beslissend is of de vordering als gevolg van die voldoening ook tenietgaat; voor het vermoeden van artikel 3:92 BW staat enkel centraal of de verkoper wordt voldaan. Dat blijkt ook uit lid 3 van de bepaling, op grond waarvan de voorwaarde voor vervuld wordt gehouden als de vervreemder op enige andere wijze dan door voldoening van de verschuldigde tegenprestatie wordt bevredigd.13
Deze benadering sluit bovendien aan met de hier verdedigde functie van het eigendomsvoorbehoud, zoals die in hoofdstuk 2 is uiteengezet.14 De werking van de overdracht wordt opgeschort zodat de verkoper pas zijn contractuele verplichting tot eigendomsoverdracht nakomt als hij ook de daar tegenoverstaande prestatie verkrijgt. De verkoper verliest zijn eigendom pas als hij de door de koper verschuldigde prestatie verkrijgt. Daarmee waarborgt het eigendomsvoorbehoud de wederkerigheid van de beide contractuele prestaties en verschaft het de verkoper een opschortingsrecht. Zodra de verkoper door de betaling van de derde is voldaan, is er geen noodzaak meer voor hem om de eigendomsovergang op te schorten. De wederkerigheidsband van de wederzijdse afhankelijkheid is doorbroken doordat de verkoper is bevredigd.15 De wederkerigheidsband tussen verkoper en koper strekt zich in beginsel niet uit tot de jegens de derde verschuldigde prestatie.
Natuurlijk is denkbaar dat partijen de voorwaarde anders redigeren, in die zin dat de voorwaarde inhoudt dat de eigendom pas overgaat indien de koper de verschuldigde prestatie voldoet aan de verkoper of aan degene die in de vordering wordt gesubrogeerd, maar het standaardeigendomsvoorbehoud zoals neergelegd in artikel 3:92 BW dient niet aldus worden uitgelegd.16 Enkel door een andersluidende, van artikel 3:92 lid 1 BW afwijkende vormgeving van de voorwaarde overeen te komen, verruimen partijen de wederkerigheidsband tussen de wederzijdse verplichtingen tot de verplichtingen van de koper jegens de derde. Een dergelijke afspraak komt niet in strijd met artikel 3:92 lid 2 BW, omdat de eigendom nog altijd wordt voorbehouden voor een vordering betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst te leveren zaak, zij het dat uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat deze vordering ook kan overgaan op een derde.17
De andersluidende opvatting in de Nederlandse literatuur en in Oostenrijk en Duitsland legt ten onrechte de nadruk op het vermeende zekerheidskarakter van het voorbehouden eigendomsrecht, dat zekerheid zou bieden voor de nakoming van de vordering die door subrogatie is overgegaan op de derde.18 Daarbij wordt evenwel miskend dat de derde de voorbehouden eigendom niet verkrijgt omdat het voorbehouden eigendomsrecht geen zekerheid biedt voor de nakoming van de koopprijsvordering. Uitoefening van het eigendomsvoorbehoud is een remedie die kan worden benut indien nakoming uitblijft. De voorbehouden eigendom vervult – anders dan als pressiemiddel om tot nakoming over te gaan – geen functie om de nakoming te realiseren. Zoals in hoofdstuk 5 is betoogd, sluiten nakoming en uitoefening van het eigendomsvoorbehoud elkaar wederzijds uit.19 Degene die in de vordering wordt gesubrogeerd, krijgt het recht om in plaats van de verkoper voldoening van de verschuldigde prestatie van de koper te vorderen. De rechten die de gesuborgeerde verkrijgt zijn derhalve gericht op nakoming, namelijk op voldoening van de overgegane vordering. Het voorbehouden eigendomsrecht en de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud zijn daarentegen juist gericht op ongedaanmaking, wanneer nakoming niet plaatsvindt.20 Met een opvallende scherpte is dit reeds in 1933 verwoord door Korthals Altes ten aanzien van borgtocht bij huurkoop:
‘De schuldeiser bleef eigenaar van het in huurkoop gegeven object, totdat zijn vordering was voldaan. Maar hij zou zijn eigendom slechts kunnen terugvorderen ingeval van ontbinding van de huurkoopovereenkomst. De borg wordt dus dàarom niet in den eigendom gesubrogeerd, omdat hij de ontbindingsactie niet verwerft: hij kan slechts nakoming vorderen, en dit sluit uitoefening der eigendomsrechten uit. Bovendien wordt door algeheele betaling de huurkooper- hoofdschuldenaar eigenaar van het object der overeenkomst, of nu de borg de laatste betaling doet of wel hij zelf.’21
Het voorbehouden eigendomsrecht is met andere woorden geen crediteursrecht dat verbonden is aan de vordering,22 omdat het voorbehouden van het eigendomsrecht door middel van het eigendomsvoorbehoud geen verband houdt met de nakoming, maar juist met de ongedaanmaking wanneer geen nakoming plaatsvindt. De gesubrogeerde verkrijgt echter uitsluitend de mogelijkheid om voldoening van de vordering te vorderen van de koper; de mogelijkheid om de koopovereenkomst te ontbinden heeft hij niet.23
Om vergelijkbare redenen kan evenmin worden aangenomen dat de verkoper die een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen eerst dient over te gaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, alvorens hij de borg kan aanspreken tot betaling.24 Beide handelingen zijn immers gericht op een ander resultaat. De verkoper die zijn eigendomsvoorbehoud uitoefent, neemt genoegen met annulering van de koopovereenkomst met de koper, terwijl hij door de borg aan te spreken juist vasthoudt aan de nakoming van de overeenkomst (vgl. art. 7:850 BW). De borg heeft zich verbonden tot nakoming van de op de koper rustende verplichting tot voldoening van de verschuldigde prestatie, terwijl de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud gericht is op ongedaanmaking. Door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud zou de verkoper zelfs het recht kunnen verliezen om de borg aan te spreken tot nakoming, omdat uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in beginsel gepaard gaat met ontbinding van de koopovereenkomst en tenietgaan van de koopprijsvordering.25