Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/9.3
9.3 Voorbehouden eigendom als afhankelijk recht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS402010:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Korthals Altes 1933, p. 102, Van Dijk 1940, p. 75, Pitlo 1942, p. 328, Van Vrijberghe de Coningh 1943, p. 28, Mijnssen 1981, p. 648, Vriesendorp 1985a, p. 120, Mezas 1985, p. 19-23, Mijnssen 1991, p. 194-195, Snijders 1993, p. 164, Faber & Van Hees 1994, p. 194, Kortmann 1994, p. 748, Beuving 1996, p. 137, Verdaas 2008, p. 289, Wibier 2009, nr. 20, Biemans 2011, p. 281, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 49 en nr. 498, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 274, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013, nr. 258, Reehuis 2013, nr. 23 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 533. Zie ook M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Mezas 1985, p. 23, Snijders 1992, p. 164, Kortmann 1994, p. 748, Beuving 1996, p. 137, Wibier 2009, nr. 20, Biemans 2011, p. 281-282, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 274, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 49 en nr. 498, Rongen 2012, p. 1297-1298, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 348, Reehuis 2013, nr. 23, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013, nr. 258 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 533. Zie ookM.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
HR 18 februari 1994, NJ 1994, 462 m.nt. W.M. Kleijn (Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.), rov. 3.3. Zie ook reeds HR 3 oktober 1980, NJ 1981, 60 m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Schriks q.q.).
Schoordijk 1959, p. 40, Schoordijk 1971, p. 470 (die echter in cirkels redeneert door het zekerheidskarakter af te leiden uit het accessoire karakter) en Schoordijk 1986, p. 14, voetnoot 36, p. 243-244 en p. 314 ook. Zo ook Zevenbergen 1938, p. 98-99 en Veenhoven 1955, p. 29-30.
Serick 1963, p. 216, Staudinger/Busche 2012, § 401 BGB, Rn. 38, Bülow 2012, p. 247 en MünchKomm- BGB/Roth & Kieninger 2016, § 401 BGB, Rn. 14. Zie uit de rechtspraak BGH 15 juni 1964, NJW 1964, 1788. Voor de kwalificatie van het voorbehouden eigendomsrecht als nevenrecht lijkt voorzichtig te worden gepleit door Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 101, daarbij ten onrechte steun zoekend bij Rühl 1930, p. 82-83, die namelijk uitgaat van een afzonderlijke overdracht van de voorbehouden eigendom, zij het dat die volgens Rühl besloten kan liggen in de cessie van de vordering.
Zie bijv. OGH 31 januari 1962, zaaknr. 3Ob465/61 en OGH 22 januari 1986, zaaknr. 3Ob465/61. Zie voor verdere uitspraken Klang/Thöni 2011, § 1394 ABGB, Rn. 24, voetnoot 108.
Rummel/Gamerith 2002, § 1358 ABGB, Rn. 5, Rummel/Reischauer 2002, § 1422 ABGB, Rn. 21 en Schwimann & Kodek/ Faber 2016, § 1358 ABGB, Rn. 17.
Frotz 1970, p. 118-120 en p. 159-160, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 645-656, Rummel/ Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 8, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 104, Rummel/Ertl 2002, § 1393 ABGB, Rn. 7 en Klang/Thöni 2011, § 1394 ABGB, Rn. 24.
OGH 13 mei 1987, zaaknr. 1Ob543/87. Zie voor de bestempeling van deze opvatting als heersend Klang/ Thöni 2011, § 1394 ABGB, Rn. 24 en Schwimann & Kodek/Heidinger 2016, § 1393 ABGB, Rn. 31.
M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241, HR 18 februari 1994, NJ 1994, 462m.nt. W.M. Kleijn (Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.), rov. 3.3, Kortmann 1994, p. 748, Faber & Van Hees 1994, p. 194 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 274.
Vgl. Frotz 1970, p. 118 en Medicus 1971, p. 497.
Daarop wordt met name de nadruk gelegd in de Oostenrijkse literatuur. Zie Frotz 1970, p. 118, Klang/ Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 648-656 en Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 8. Vgl. ook Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 227, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 498 en M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241, alwaar wordt opgemerkt dat het uit het oogpunt van rechtszekerheid wenselijk is dat de gewone regels betreffende overdracht van toepassing zijn.
Zie over het ogenschijnlijke verband tussen afhankelijkheid en causaalheid hiervoor met verdere verwijzingen in hoofdstuk 8, paragraaf 8.4.5. Anders: Mijnssen 1981, p. 647-468 die afhankelijkheid en causaalheid via de voorwaardelijkheid over een kam lijkt te scheren. Terecht anders Snijders 1970, p. 31 die opmerkt dat de omstandigheid dat een recht in bepaalde opzicht met accessoriëteit vergelijkbare trekken vertoont, niet inhoudt dat het recht accessoir is. Zie ook Biemans 2011, p. 281 die opmerkt dat voorwaardelijkheid geen afhankelijkheid is. Vgl. Medicus 1971, p. 503-504 die de voorwaardelijkheid van de zekerheidseigendomziet als compensatie voor het gebrek aan accessoriëteit.
Zo echter Biemans 2011, p. 281.
Vgl. Vriesendorp 1985a, p. 120 en M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241.
Vgl. Biemans 2011, p. 281.
Vgl. M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 389, Reehuis 2013, nr. 116 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 555.
Faber & Van Hees 1994, p. 195.
Vgl. Serick 1963, p. 216 die opmerkt dat de voorbehouden eigendom ook de Rückforderungsanspruch bij ontbinding verzekert. Zie ook Pitlo 1942, p. 328, Snijders 1970, p. 31, M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241, Mijnssen 1991, p. 194-195, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 274 en Rongen 2012, p. 1297-1298.
Zie bijv. Schoordijk 1971, p. 470, Rummel/Gamerith 2002, § 1358 ABGB, Rn. 5 en Rummel/Reischauer 2002, § 1422 ABGB, Rn. 21.
Vgl. OGH 6 juli 1937, SZ 19/213, waarin wordt geoordeeld dat het eigendomsvoorbehoud geen zekerheid biedt voor de voldoening van de koopprijsvordering, maar de verkoper slechts zekerheid biedt voor de schade die ontstaat bij niet-nakoming.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 652.
Bij deze laatstgenoemde constructie kan men zich afvragen of de overdracht van de voorbehouden eigendom aan de derde noodzakelijk is, of dat dit recht – als een van de vordering afhankelijk recht – met de cessie van de koopprijsvordering van rechtswege overgaat op de derde.
In de Nederlandse literatuur wordt algemeen aangenomen dat de voorbehouden eigendom geen van de koopprijsvordering afhankelijk recht in de zin van artikel 3:7 BW is.1 Met de cessie van de koopprijsvordering gaat de voorbehouden eigendom dan ook niet zonder meer over. Daarvoor is een afzonderlijke overdracht vereist. Eveneens wordt aangenomen dat de voorbehouden eigendom geen nevenrecht als bedoeld in artikel 6:142 BW is.2 Door de Hoge Raad is met betrekking tot de onder het oude recht voorkomende zekerheidseigendom geoordeeld dat dit eigendomsrecht geen afhankelijk karakter heeft.3 Daaruit kan worden afgeleid dat hetzelfde a fortiori heeft te gelden voor de door de verkoper voorbehouden eigendom. In de meer recente literatuur wordt uitsluitend door Schoordijk verdedigd dat de voorbehouden eigendom een afhankelijk recht is, hetgeen hij met name lijkt te baseren op het vermeende zekerheidskarakter van het voorbehouden eigendomsrecht.4 In de Duitse literatuur en rechtspraak wordt er algemeen van uitgegaan dat de voorbehouden eigendom geen nevenrecht is en evenmin een accessoir karakter heeft.5 In de Oostenrijkse rechtspraak is door het OGH daarentegen meermaals geoordeeld dat de voorbehouden eigendom als nevenrecht van rechtswege overgaat op de cessionaris.6 Hoewel een deel van de literatuur deze benadering vanwege de wenselijkheid en het vermeende zekerheidskarakter volgt,7 wordt zij door een ander deel van de literatuur sterk bekritiseerd.8 Intussen lijkt de opvatting dat de voorbehouden eigendom geen nevenrecht is ook in de Oostenrijkse literatuur heersend, terwijl het OGH de juistheid van zijn rechtspraak inmiddels in het midden heeft gelaten.9
Om een veelheid van redenen kan niet worden aangenomen dat de voorbehouden eigendom een afhankelijk recht of nevenrecht is. In de eerste plaats verzet de aard van het eigendomsrecht zich ertegen dat het meest omvattende recht op een zaak (art. 5:1 BW) afhankelijk zou zijn van een ander recht (art. 3:7 BW).10 Afhankelijkheid impliceert een zekere mate van ondergeschiktheid van het desbetreffende recht aan een ander recht, hetgeen zich niet goed laat denken bij het meest omvattende recht.11 Vergelijkbaars geldt voor de kwalificatie als nevenrecht. Ten tweede zou het afhankelijke karakter van het eigendomsrecht niet goed zijn te verenigen met het leveringsbeginsel, op grond waarvan voor de eigendomsoverdracht vereist is dat bepaalde leveringsformaliteiten worden nageleefd.12 In de derde plaats is niet voldaan aan de toepassingsvereisten van artikel 3:7 BW. Volgens dat artikel is van een afhankelijk recht sprake als het desbetreffende recht zodanig aan een ander recht is verbonden, dat het niet zonder dat recht kan bestaan. Een eigendomsrecht kan daarentegen wel degelijk bestaan zonder het bestaan van een koopprijsvordering. Dat geldt eveneens voor voorbehouden eigendom of eigendom onder ontbindende voorwaarde. Niet noodzakelijk is immers dat de voorwaarde bij een overdracht onder opschortende voorwaarde gevormd wordt door de voldoening van een bepaalde vordering. Dat de voldoening van de koopprijs een voorwaarde is voor eigendomsovergang, maakt niet dat het eigendomsrecht daardoor afhankelijk wordt van de koopprijsvordering. De verhouding tussen voorbehouden eigendom en de koopprijsvordering bij een eigendomsvoorbehoud is geen relatie van afhankelijkheid, maar berust op een contractuele vormgeving van de overdracht door middel van de voorwaarde.13 Omdat partijen de overdracht van de eigendom afhankelijk hebben gesteld van de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie, wordt een situatie geschapen die trekken lijkt te vertonen van afhankelijkheid. Bij nadere beschouwing blijkt evenwel dat het verband tussen voorbehouden eigendom en koopprijsvordering uitsluitend berust op de omstandigheid dat partijen de wederzijdse contractuele verplichtingen via de opschortende voorwaarde verstrengeld hebben. Dat maakt evenwel niet dat het eigendomsrecht daardoor afhankelijk wordt van het bestaan van de vordering. Evenmin kan worden gezegd dat de eigendomsoverdracht afhankelijk is van het bestaan van de vordering.14 De eigendomsoverdracht is afhankelijk gemaakt van de voldoening van de vordering. Gaat de vordering teniet door voldoening, dan gaat de eigendom over op de koper. Gaat de vordering daarentegen teniet doordat de verkoper overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, dan bewerkstelligt de verstrengeling van de wederzijdse verplichtingen juist dat de verkoper eigenaar blijft.15 Tenietgaan van de koopprijsvordering leidt dan ook niet tot tenietgaan van het eigendomsrecht – zoals strikt genomen het geval zou moeten zijn bij afhankelijkheid – maar ofwel tot overgang van het eigendomsrecht op de koper,16 ofwel tot definitief behoud van het eigendomsrecht door de verkoper. Het tenietgaan van de vordering heeft derhalve geen eenduidig rechtsgevolg.17 Weliswaar gaat de eigendom over op de koper als de vordering door betaling tenietgaat, maar dat volgt niet uit het vermeende afhankelijke karakter, maar uit de omstandigheid dat de door partijen gestelde voorwaarde daarmee in vervulling gaat.18
Een belangrijk argument tegen de kwalificatie van de voorbehouden eigendom als afhankelijk recht of nevenrecht is bovendien gelegen in de omstandigheid dat het voorbehouden eigendomsrecht niet in rechtstreekse relatie staat tot de koopprijsvordering en ook geen zekerheid biedt voor de voldoening van de koopprijsvordering.19 De auteurs die aannemen dat het voorbehouden eigendomsrecht wel een afhankelijk recht is, lijken hun argumentatie met name te baseren op dit vermeende zekerheidskarakter.20 In hoofdstuk 2 is echter betoogd dat het voorbehouden eigendomsrecht geen zekerheid biedt voor de voldoening van de koopprijsvordering, maar slechts de rechten van de verkoper bij ontbinding waarborgt. Indien men derhalve een vordering wil aanwijzen waarvoor het eigendomsvoorbehoud zekerheid biedt, is het niet de koopprijsvordering, maar de vordering tot ongedaanmaking na ontbinding.21 In plaats van een persoonlijke vordering tot retro-overdracht heeft de verkoper die een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen namelijk een goederenrechtelijke rechtsvordering, die hij ontleent aan zijn voorbehouden eigendomsrecht. Het eigendomsvoorbehoud verschaft de vordering van de verkoper bij ontbinding derhalve een goederenrechtelijk karakter. De verhouding tussen voorbehouden eigendom en koopprijsvordering is daarmee indirect, omdat zij loopt over de boeg van de ontbindingsregeling. Aangezien het voorbehouden eigendomsrecht voor de verkoper juist van waarde is op het moment dat de koopprijsvordering teniet gaat door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud en de daarmee gepaard gaande ontbinding van de koopovereenkomst, kan ook om deze reden niet worden gezegd dat het voorbehouden eigendomsrecht afhankelijk is van de vordering. Door Bydlinski wordt treffend opgemerkt dat een ‘dingliches Recht, das seine Wirkung am stärksten bei Wegfall einer bestimmten Forderung zeigt, (…) auch im wirtschaftlichen Sinn kein “Nebenrecht” dieser Forderung, keine dieser Forderung bloû dienende Gröûe sein [kann].’22