Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/9.6
9.6 Positie van de koper na overdracht voorbehouden eigendom
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394941:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De problematiek komt aan de orde bij Mezas 1985, p. 32-39 en Van der Lelij 1996, p. 54-56.
Zo bijv. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 239, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 497 en Asser/ Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 542-544.
Zie nader hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.5.
Anders: Mezas 1985, p. 36-37 die uit het vermeende zekerheidskarakter van de voorbehouden eigendom afleidt dat de derdeverkrijger slechts zekerheidseigendom verkrijgt, dus zonder de genotsbevoegdheden die aan eigendom normaliter verbonden zijn. In die richting ook Vriesendorp 1985a, p. 52-53 en Verstijlen 2007, p. 828. Vgl. ook Schoordijk 1959, p. 1.
Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 663-665, Rummel/Spielbüchler 2000, § 428 ABGB, Rn. 4 en Schwimann & Kodek/Klicka & Reidinger 2012, § 428 ABGB, Rn. 12. Vgl. ook Klang/Leupold 2012, § 358 ABGB, Rn. 52. Zie uit de rechtspraak bijv. OGH 13 mei 1987, zaaknr. 1Ob543/87.
Zie uitgebreid Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 656-667, i.h.b. p. 663-665.
Meijers 1936, p. 262-263, Scheltema 1938, p. 406, Pitlo 1951, p. 84-85 en Veenhoven 1955, p. 18. Zie aldus ook voor het retentierecht Asser/Scholten 1945, p. 558.
E.M. Meijers in diens noot onder HR 16 maart 1933, NJ 1933, p. 790 (Dordrechtse Autogarage).
Zie over deze problematiek met name Drion 1942, p. 134-137, Van der Lelij 1996, p. 38 e.v. en Rank- Berenschot 2012, p. 67-68.
Rank-Berenschot 2012, p. 67-68 en p. 70-71 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 238.
Aldus Van der Lelij 1996, p. 47-49.
Drion 1942, p. 134-137, Van der Lelij 1996, p. 53-62, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 239, Rank- Berenschot 2012, p. 71 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 322.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 11.
Een analogische toepassing wordt evenwel bepleit door Vriesendorp 1985a, p. 53.
In deze richting ook Rank-Berenschot 1992, p. 230, Van der Lelij 1996, p. 55 en Scheltema 2017, p. 100- 101. Vgl. ook Kortmann 1996, p. 189 die het gebruiksrecht als obligatoir beschouwt, maar niettemin een zekere derdenwerking lijkt te willen aanvaarden.
Als de verkoper de voorbehouden eigendom overdraagt aan een derde, rijst de vraag wat voor gevolgen deze overdracht heeft voor de positie van de koper. Kan hij zijn recht om de zaak onder zich te hebben geldend maken tegen de verkrijger van de voorbehouden eigendom of moet hij de zaak gedurende de periode van onzekerheid afstaan aan de eigenaar onder ontbindende voorwaarde? Voor deze problematiek bestaat in de Nederlandse literatuur opvallend weinig aandacht.1 Veelal wordt volstaan met de constatering dat de derde door de overdracht van de voorbehouden eigendom als gevolg van de nemo-plus-regel slechts een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde verkrijgt en dat de koper ondanks de overdracht aan de derde nog altijd door voldoening van de verschuldigde prestatie eigenaar kan worden van de verkochte zaak.2 In hoofdstuk 8 is verdedigd dat dit inderdaad volgt uit de systematiek van de voorwaardelijke beschikking, omdat de voorwaardelijke beschikking leidt tot een beperking van het eigendomsrecht van de verkoper, doordat een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ten gunste van de koper wordt afgesplitst.3
De vraag of de koper zijn gebruiksrecht van de zaak ook kan tegenwerpen aan de verkrijger van de eigendom onder ontbindende voorwaarde is daarmee echter nog niet beantwoord. Aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde komt als uitgangspunt immers nog geen werking toe. Aldus zou geredeneerd kunnen worden dat de eigenaar onder ontbindende voorwaarde het gebruiksrecht van de koper niet behoeft te respecteren gedurende de periode van onzekerheid, omdat het gebruiksrecht slechts een basis heeft in de tussen verkoper en koper gesloten overeenkomst, waaraan de derde niet is gebonden.4 Het Duitse recht regelt deze problematiek uitdrukkelijk in § 986 BGB, waarin in het tweede lid is bepaald dat – kort gezegd – degene die de feitelijke macht heeft over de zaak na een overdracht van de zaak overeenkomstig § 931 BGB door middel van een cessie van de Herausgabeanspruch tegen de nieuwe eigenaar de verweermiddelen geldend kan maken die hij ook jegens de vervreemder geldend kon maken. De koper onder eigendomsvoorbehoud kan op grond van deze bepaling het op de koopovereenkomst gebaseerde Recht zum Besitz met andere woorden geldend maken tegen de verkrijger van de voorbehouden eigendom, zolang hij dit recht op grond van de koopovereenkomst heeft.5
In het Oostenrijkse recht ontbreekt – net als in Nederland – een soortgelijke bepaling, hetgeen niet verwondert wanneer men bedenkt dat de mogelijkheid van levering van zaken die zich onder een derde bevinden door middel van Besitzanweisung buitenwettelijk tot ontwikkeling is gekomen. Uit de techniek van die leveringswijze wordt in navolging van Bydlinski in de literatuur en rechtspraak desalniettemin afgeleid dat de levering door middel van Besitzanweisung niet kan leiden tot een verslechtering van de positie van degene die de zaak onder zich heeft.6 Daarbij wordt de volgende redenering gehanteerd.7 De houder van de zaak houdt de zaak voor de eigenaar, op grond van de overeenkomst waarop het gebruiksrecht van de houder is gebaseerd. Op grond van die rechtsverhouding is de houder verplicht de instructies van de eigenaar op te volgen, maar daaruit volgt tevens dat de houder de instructies slechts behoeft op te volgen voor zover deze in overeenstemming zijn met die rechtsverhouding. Als de houder vervolgens wordt geïnstrueerd de zaak voor een ander te gaan houden, dan impliceert dat de eerbiediging van het gebruiksrecht van de houder. Dit resultaat wordt bereikt over de boeg van de wil van de houder. Aangezien het bezit van de vervreemder berust op de omstandigheid dat de houder de zaak voor hem houdt en hij dit bezit slechts aan een ander kan verschaffen doordat de houder de zaak voortaan voor de verkrijger wil houden, speelt de wil van de houder een prominente rol. Daaruit volgt de eerbiediging van de rechten van de houder in de Oostenrijkse rechtsleer. De wil van de houder om de zaak voortaan voor de verkrijger te gaan houden zal logischerwijs namelijk niet verder strekken dan onder eerbiediging van zijn eigen rechten. Aldus kan een levering door middel van Besitzanweisung geen afbreuk doen aan de rechten van de houder.
Deze benadering herinnert sterk aan de onder het oude recht wel verdedigde opvatting, dat de rechtsgevolgen van de levering werden begrensd door de wil van de houder om voor de verkrijger te gaan houden.8 Door Meijers wordt het als volgt verwoord:
‘[V]an een lichamelijke zaak, die door een derde voor den eigenaar gehouden wordt, is eigendomsoverdracht alleen mogelijk wanneer men aanneemt, dat deze derde de zaak onder zich heeft voor dengene, die hem haar toevertrouwd heeft en diens rechtsopvolgers. (…) Men kan dezen derden echter niet verder den wil toedichten om de zaak ook voor rechtsopvolgers te houden, dan met instandhouding van zijn contracuteele rechten.’9
Uiteindelijk heeft deze mening zich echter niet kunnen doorzetten.10 Tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de rol van de houder bij de levering longa manu lijdelijk is en aan zijn wil geen beslissende betekenis toekomt.11 Deze lijdelijkheid ligt ook besloten in artikel 3:115 aanhef en onder c BW, waaruit blijkt dat voldoende is dat de overdracht van het bezit aan de houder wordt medegedeeld. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat Meijers zijn visie heeft herzien ten gunste van de heersende leer.12
Sinds het uitgangspunt is dat de rol van de houder bij de levering longa manu lijdelijk is, wordt voor de vraag of de houder zijn rechten kan tegenwerpen aan de verkrijger beslissende betekenis toegekend aan de aard van de rechtsverhouding waarop de houder zijn houderschap baseert.13 Indien die rechtsverhouding haar grondslag heeft in een goederenrechtelijk recht, dan kan de houder zijn gebruiksrecht tegenwerpen aan de verkrijger. Heeft het recht om de zaak onder zich te hebben daarentegen een contractuele grondslag, dan kan de houder dit recht in beginsel niet tegenwerpen aan de verkrijger, die niet aan de overeenkomst tussen vervreemder en houder is gebonden. Uitzonderingen kunnen gelden op grond van bijzondere wetsbepalingen, zoals artikel 7:226 BW. Een andere bijzondere wetsbepaling is artikel 7:88 BW, dat teruggaat op artikel 1576l lid 2 BW (oud) en waarin is neergelegd dat vervreemding van een krachtens een overeenkomst van goederenkrediet afgeleverde zaak niet ten nadele van de kredietnemer werkt. De wetgever van 1936 zag daarin de noodzakelijke bescherming van de huurkoper, omdat het ‘recht van den huurkooper ten aanzien van de hem afgestane zaak (…) uitsluitend [wordt] beheerscht door de overeenkomst met den verkooper.’14 De wetgever benaderde het gebruiksrecht van de huurkoper derhalve als zuiver contractueel. Voor de koper onder eigendomsvoorbehoud die buiten de beschermingsreikwijdte van artikel 7:88 BW valt, lijkt daarmee de conclusie dat zijn contractuele gebruiksrecht niet tegenwerpbaar is aan de verkrijger van de voorbehouden eigendom.15
Toch is dat mijns inziens niet het geval. In ieder geval vanaf de invoering van het nieuwe vermogensrecht in 1992 heeft de koper niet enkel een contractueel gebruiksrecht, maar kan hij zijn gebruiksrecht rechtstreeks ontlenen aan zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.16 In hoofdstuk 8 is op grond van de bij de koopovereenkomst betrokken belangen betoogd dat de eigenaar onder opschortende voorwaarde een gebruiksrecht heeft, zolang de tussen verkoper en koper gesloten koopovereenkomst bestaat. De koper heeft bovendien een aan de eigenaar onder ontbindende voorwaarde tegenwerpbaar gebruiksrecht in het geval dat de verkoper als beschikkingsonbevoegde onder opschortende voorwaarde over de zaak heeft beschikt. Vergelijkbaars dient dan te gelden in de in deze paragraaf aan de orde zijnde situatie. Als het gebruiksrecht van de koper namelijk tegenwerpbaar is aan de eigenaar over wiens recht de verkoper als beschikkingsonbevoegde onder eigendomsvoorbehoud heeft beschikt en het gebruiksrecht van de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zelfs tegenwerpbaar is aan de verkoper als de koper in strijd met een daartoe strekkend verbod zijn voorwaardelijk eigendomsrecht heeft overgedragen door de zaak uit handen te geven, moet vergelijkbaars a fortiori gelden voor de rechtsopvolger van de verkoper-eigenaar, die bovendien bekend is met de omstandigheid dat de zaak zich bij een derde bevindt. Voor een nadere onderbouwing van het goederenrechtelijk karakter van het gebruiksrecht van de koper en diens rechtsopvolgers gedurende de periode van onzekerheid wordt verwezen naar hoofdstuk 8, paragraaf 8.9.5.