Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/9.2
9.2 Denkbare toepassingen
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400843:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Zevenbergen 1938, p. 13-15, Kleijn 1990, p. 585-587, Van Hees 1997, p. 55 en Reehuis 2013, nr. 8.
Schürmann 1936, p. 7. Zie ook Reehuis 2013, nr. 37 die een zekere spanning met de ratio van art. 3:84 lid 3 BW lijkt te signaleren. Zolang in de relatie tussen financier en verkoper maar sprake is van een titel die strekt tot werkelijke overdracht, bestaat er geen spanning met art. 3:84 lid 3 BW. In feite maakt de financier zichzelf simpelweg tot wederverkoper, door de zaak aan te schaffen van de verkoper en vervolgens door te verkopen aan de koper. Zie ook Snijders 1990, p. 74 en hierna in paragraaf 9.5. Vervolgens is in de verhouding tussen de financier en de koper sprake van een ‘gewoon’ eigendomsvoorbehoud. Daarvoor dienen derhalve ook de grenzen van art. 3:92 lid 2 BW in acht te worden genomen.
Zie bijv. Van Hees 1997, p. 81 en Asser/Houben 7-X 2015, nr. 44. Zie ook Verslag, Kamerstukken II, 1935/ 36, 70, 1, p. 4 alwaar wordt gesproken van ‘secundaire huurkoop’.
Schürmann 1936, p. 8, Kleijn 1990, p. 586, A-G Hartkamp in punt 7 van diens conclusie voor HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease) en Reehuis 2013, nr. 37. Zie ook BGH 27 maart 2008, NJW 2008, 1803, rov. 36, alwaar wordt opgemerkt dat de derde veelal niet ‘in den Warenkreislauf eingebunden werden’ wil.
Zie punt 7 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease).
Vgl. Verslag, Kamerstukken II, 1935/36, 70, 1, p. 4.
Zie ten aanzien van de toelaatbaarheid van de sale-and-lease-back-constructie evenwel nog hierna in voetnoot 88.
Reehuis 2013, nr. 112.
In de literatuur is men soms kritisch over deze verfijning, omdat zij nadelig kan uitwerken voor degene die niet op de hoogte is van de ‘nimiae subtilitates van ons zekerhedenrecht’. Zo bijv. A-G Hartkamp in punt 12 van diens conclusie voor HR 18 februari 1994, NJ 1994, 462 m.nt. W.M. Kleijn (Nijverdal Ten Cate/ Wilderink q.q.), Kortmann 1994, p. 749-751 en Bergervoet 2014, p. 299. Om die reden wordt ervoor gepleit soms ook bij betaling door een derde aan te nemen, dat de koper nog geen eigenaar wordt, namelijk als de vordering overgaat op deze derde. Zie daarover hierna in paragraaf 9.4. Hier past alvast de opmerking dat de omstandigheid dat partijen niet op de hoogte zijn van het feit dat het recht aan de door hen verrichte handeling een bepaald rechtsgevolg verbindt, geen reden kan zijn om dat rechtsgevolg dan maar niet te laten intreden. Iets anders is dat voorstelbaar is dat partijen zich weliswaar hebben uitgelaten in termen van ‘betaling van de door de koper verschuldigde koopprijs’, maar deze betaling in werkelijkheid geschiedde ten titel van cessie. Of dat het geval is, zal afhangen van uitleg van de gedragingen, waarbij in het bijzonder van belang kan zijn dat partijen tevens de voorbehouden eigendom hebben (willen) overdragen. Zie voor een dergelijk geval BGH 27 maart 2008, NJW 2008, 1803.
Als niet de verkoper maar een derde de aanschaf van de zaak financiert voor de koper, kan op een aantal wijzen worden bewerkstelligd dat de derde zich de positie verschaft die een verkoper heeft bij een overdracht onder eigendomsvoorbehoud.1 Aldus kan worden gerealiseerd dat de derde het eigendomsvoorbehoud kan uitoefenen als de koper in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde prestatie.
In de eerste plaats is denkbaar dat de verkoper de zaak eenvoudigweg verkoopt en overdraagt aan de derde, die de zaak vervolgens doorverkoopt aan de koper en een eigendomsvoorbehoud bedingt.2 In gevallen van leasing pleegt men deze constructie aan te duiden als indirecte leasing, omdat de leasing via het vermogen van de derde tot stand komt.3 In de praktijk wordt niet zelden afgezien van deze constructie, omdat de derde zowel wordt betrokken in een contractuele relatie met de verkoper en ook in de verhouding tot de koper optreedt als (volwaardig) verkoper. Daardoor kunnen voor de derde bepaalde (contractuele) aansprakelijkheidsrisico’s ontstaan.4 Ook fiscale motieven kunnen een reden zijn om van deze constructie af te zien.5
Een tweede constructie die gehanteerd kan worden bij aanschaffinanciering door een derde is de zogenoemde sale-and-lease-back-constructie. In een zodanig geval sluit de koper de koopovereenkomst gewoon met de verkoper en financiert de derde de koopprijs, zodat de koper de eigendom verkrijgt. In de verhouding tussen koper en verkoper is dan geen behoefte (meer) aan een eigendomsvoorbehoud. Daarbij wordt overeengekomen dat de koper de zaak vervolgens overdraagt aan de financier, die hem vervolgens weer onder eigendomsvoorbehoud terugoverdraagt aan de koper, waarbij de voldoening van de voorgeschoten koopprijs (eventueel met een bepaalde risico- of renteopslag) als opschortende voorwaarde wordt overeengekomen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat de financier bij niet- voldoening van de verschuldigde prestatie door de koper kan terugvallen op de voorbehouden eigendom. Het voordeel van deze constructie ten opzichte van de hiervoor beschreven constructie is dat de derde niet in een contractuele relatie met de verkoper betrokken wordt. Risicovol aan deze constructie is dat de zaak het vermogen van de koper passeert.6
Deze beide constructies hebben gemeen dat uiteindelijk sprake is van een ‘gewoon’ eigendomsvoorbehoud, in die zin dat een verkoper en koper tegenover elkaar staan in een contractuele relatie staan, waarin een eigendomsvoorbehoud is bedongen. Met betrekking tot de omstandigheid dat een eigendomsvoorbehoud is bedongen, treden hier dan ook geen bijzonderheden op. In het navolgende zal dan ook aandacht worden besteed aan de volgende constructie, waaraan bovendien niet de hierboven genoemde bezwaren zijn verbonden.7
Deze derde constructie houdt in dat tussen de verkoper en de koper een koopovereenkomst wordt gesloten en tevens een overdracht onder eigendomsvoorbehoud tot stand wordt gebracht. Vervolgens cedeert de verkoper de koopprijsvordering aan de derde en draagt hij tevens de voorbehouden eigendom aan hem over, terwijl de derde aan de verkoper een met de koopprijs corresponderend bedrag (eventueel onder aftrek van een risico-component) voldoet. De levering pleegt in een zodanig geval te geschieden door middel van een tweezijdige verklaring, die wordt medegedeeld aan de koper, die de zaak vervolgens voor de derde gaat houden (art. 3:115 aanhef en onder c BW). Noodzakelijk voor het welslagen van deze constructie is dat de betaling die de derde aan de verkoper verricht niet wordt beschouwd als de voldoening van de door de verkoper bedongen koopprijs, omdat daardoor de voorwaarde in vervulling zou gaan en de koper eigenaar zou worden.8 Dat kan geschieden doordat de betaling van de derde aan de verkoper niet wordt beschouwd als voldoening van de koopprijsvordering, maar als voldoening van de koopprijs voor de aankoop van de vordering en de voorbehouden eigendom.9 Met deze constructie wordt bewerkstelligd dat de verkoper verkrijgt waar het hem om te doen is (namelijk: de tegenwaarde van de zaak), maar wordt anderzijds bewerkstelligd dat de door de voorwaardelijke overdracht geschapen constructie in stand blijft, zodat de derde op de eigendom kan teruggrijpen als de koper in gebreke blijft met de betaling van de gecedeerde koopprijsvordering.