Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.7
4.7 Legaliteitsbeginsel
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386200:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. De Hullu 2014, p. 86.
De Hullu 2014, p. 88.
Zie o.a. Knigge & Wolswijk 2015, p. 45.
Knigge & Wolswijk 2015, p. 40.
HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14 (Krulsla-arrest), Remmelink 1996, p. 486, De Hullu 2014, p. 95. Zie ook Nan 2011, p. 241-242 waarin wordt benadrukt dat het lex-certabeginsel niet alleen is gebaseerd op het rechtszekerheidsbeginsel, maar tevens op het schuldbeginsel: een burger moet kunnen weten dat zijn gedraging een strafbaar feit oplevert om hem op legitieme wijze een verwijt te kunnen maken. Zie ook Schutgens 2012, p. 21-22 waarin hij weergeeft dat het formele legaliteitsbeginsel wordt aangevuld met een materiële hulpnorm die ondergraving van de idee achter het beginsel tegengaat (met eveneens een verwijzing naar het Krulsla-arrest waarin de Hoge Raad het formele beginsel aanvult met de bepaling dat de burger moet kunnen weten ter zake van welke gedragingen hij kan worden gestraft). Zie voorts Kamerstukken II 1990/91, 22 008, nr. 2 (Beleidsplan Zicht op wetgeving), p. 28: ’Indien toch wordt gekozen voor strafrechtelijk te sanctioneren bepalingen, vereist de formulering van de elementen van de delictsomschrijving bijzonder veel zorg. Vage en te complexe delictsomschrijvingen leiden immers niet alleen tot rechtsonzekerheid, maar bieden ook onvoldoende mogelijkheden voor een succesvolle strafvervolging’, en p. 30: ‘Uiterst belangrijk is het tenslotte, dat wetten eenvoudig, duidelijk en toegankelijk zijn.’ Zie ook Van Kempen & Fedorova 2015, p. 16.
Borgers 2011, p. 139-140. Borgers betoogt dat dit niet alleen problematisch is vanuit de ultimum remedium gedachte, maar ook in het licht van het legaliteitsbeginsel.
De bepaling luidde als volgt: ‘Het is verboden zich op een weg zodanig te gedragen, dat de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak wordt belemmerd of de veiligheid op de weg in gevaar wordt gebracht of redelijkerwijs is aan te nemen, dat de veiligheid op de weg in gevaar kan worden gebracht.’
Deze bepaling luidt als volgt: ‘Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.’
Simmelink 1995, p. 290 e.v. en Nan 2011, p. 170-171. Zie ook Visser 2001, o.a. p. 483.
Mulder 1987, p. 410 en Remmelink 1996, p. 131 en 487.
Erkent ook de Hoge Raad in HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14 (Krulsla-arrest): r.o. 3.4: ‘Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande in het bezigen van algemene termen, delicten omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van de delictsomschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, delictsomschrijvingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van de wetgeving schade lijdt.’ Zie ook Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 47.
Mulder 1987, p. 412 en ‘t Hart 1982, p. 339.
HR 28 mei 2002, NJ 2002/483, De Hullu 2014, p. 96, Kelk & De Jong 2013, p. 112-113, Borgers 2011, p. 149.
Vaste rechtspraak sinds EHRM 26 april 1979, Sunday Times v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 6538/74, NJ 1980/146 m.nt. Alkema, Buruma 2007, p. 24.
EHRM 17 mei 2010, Kononov v. Letland, appl.nr. 36376/04, par. 185 en EHRM 25 juni 2009, Liivik v. Estland, appl.nr. 12157/05, par. 93.
EHRM 25 juni 2009, Liivik v. Estland, appl.nr. 12157/05, par. 94.
Mulder 1987, p. 414 met verwijzing naar H. Welzel, Das Deutsche Strafrecht, Berlijn 1969 (elfde druk), p. 63-64 en H.H. Jescheck, Lehrbuch des Strafrechts, Allgemeine Teil, Berlijn 1978 (derde druk), p. 103. Zie meer recent eenzelfde soort visie over het legaliteitsbeginsel ‘als hoeksteen van het strafrecht’, Kristen 2010, p. 641-645.
Het legaliteitsbeginsel is vastgelegd in art. 1 lid 1 Sr en art. 16 van de Nederlandse Grondwet welke bepalingen beide inhouden: ‘geen feit is strafbaar dan op grond van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’. Ook in internationale verdragen staat het legaliteitsbeginsel verwoord, zoals in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR. De betekenis van de artikelen in de internationale verdragen verschillen evenwel enigszins van art. 1 Sr en art. 16 GW. Op internationaal niveau wordt geen geschreven wet of een wet in formele zin geëist. Onder ‘law’ valt ook ongeschreven, in de jurisprudentie bepaald gewoonterecht. De verdragen bieden wat dat betreft niet precies dezelfde bescherming als het nationale legaliteitsbeginsel. In dit onderzoek wordt daarom apart ingegaan op de Nederlandse en Europese uitwerking van het beginsel.1
Het legaliteitsbeginsel strekt ertoe de burger te beschermen tegen rechtsonzekerheid en willekeur.2 Het wordt doorgaans onderverdeeld in een viertal principes, te weten het lex scripta-beginsel, het verbod van terugwerkende kracht, het verbod van analogie en het lex certa-beginsel.
Het verbod van gewoonterecht (lex scripta) houdt in dat strafbaarheid enkel gebaseerd mag zijn op wetten in formele zin. Het verbod van terugwerkende kracht houdt in dat iemand niet kan worden gestraft voor een gedraging die ten tijde van het plaatshebben van die gedraging nog niet strafbaar was. Strafwetgeving mag geen terugwerkende kracht hebben voor zover dat in het nadeel van de verdachte is.3 Beide beginselen zijn in het kader van dit onderzoek van minder betekenis. Ik ga uit van de bestaande strafbaarstelling van mensenhandel door de formele wetgever en onderzoek de eventuele wenselijkheid van aanpassing (uitbreiding dan wel beperking) van de strafbaarstelling.
Het verbod van analogie gebiedt de rechter zich te beperken tot uitleg van wettelijke bepalingen en niet over te gaan tot te extensieve rechtsvorming. Bij voorkeur interpreteert de rechter restrictief, maar niet elke extensieve interpretatie is verboden.4 De rechter mag, op grond van een sterke gelijkenis met een bestaande rechtsregel uit het strafrecht, echter geen nieuwe strafrechtelijke norm formuleren. Het verbod van analogie zegt niet zoveel over de vormgeving van strafbaarstellingen, zij het dat de wetgever rekening moet houden met de interpretatiegrenzen van de rechter. De wetge- ver dient ervoor te zorgen dat het gedrag dat hij daadwerkelijk wenst te criminaliseren ook onder de delictsomschrijving valt zonder dat rechterlijke rechtsvorming plaats hoeft te vinden.
Het lex certa-beginsel (ook wel het bepaaldheidsgebod of Bestimmtheitsgebot genoemd) is met name van belang in dit onderzoek. Het houdt in dat de overheid de plicht heeft de strafbaarstellingen zo nauwkeurig mogelijk te omschrijven.5 Vage en te complexe delictsomschrijvingen leiden tot rechtsonzekerheid en bieden onvoldoende mogelijkheid voor een succesvolle strafvervolging omdat burgers dan kunnen aanvoeren dat zij op een dergelijke bepaling hun gedrag niet konden afstemmen.6 Ook op zichzelf duidelijk, maar te ruim omschreven bepalingen kunnen tot onzekerheid leiden omdat de tekst in meer gevallen tot strafbaarheid lijkt te leiden dan vanuit de ratio van de strafbaarstelling kan worden gerechtvaardigd.7 De strafbaarstelling dient wel voldoende breed te zijn om strafwaardig gedrag af te dekken. Voorkomen moet worden dat het wetboek zoveel gedetailleerde bepalingen voor elke denkbare gedraging bevat dat het om die reden ondoorgrondelijk wordt. Tegelijkertijd dient de burger te voorzien welke gedraging strafwaardig is.
Een voorbeeld waarbij het lex certa-beginsel een punt van discussie was, betreft artikel 25 WVW 1935 (oud)8 en de opvolger artikel 5 WVW 1994.9 De begrippen verkeersveiligheid, gevaar en hinder zouden te vaag zijn. Tegelijkertijd zijn deze begrippen ingekleurd door de gangbare opvatting over verkeersregels die iedereen kent of behoort te kennen. De begrippen zijn daarmee verscherpt en vallen binnen de grenzen van het lex certa-beginsel.10 Ondanks de ruime reikwijdte en de kritiek vanuit het bepaaldheidsgebod is artikel 5 WVW in het wetboek opgenomen. De betekenis van dit beginsel is dan ook betrekkelijk. Er zijn weinig in het strafrecht gebezigde termen waarbij geen sprake is van vage normen en waar de toepassingsmogelijkheid onbetwistbaar van is.11 Open delictsomschrijvingen zijn soms onvermijdelijk.12 De rechter dient de strafbepalingen te interpreteren en te actualiseren in het concrete geval.13 Beslissend lijkt te zijn of de geformuleerde norm, mede gelet op hetgeen daaromtrent aan de hand van het algemene spraakgebruik in de toelichting op de bepaling wordt opgemerkt, voldoende concreet duidelijk maakt welke gedraging is verboden en strafbaar gesteld zodat de burger voldoende in staat wordt gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen.14 De vraag in dit onderzoek is dus of de gehanteerde begrippen in de delictsomschrijving voldoende concreet duidelijk maken welke gedraging is verboden zodat de burger voldoende in staat wordt gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen.
Wat betreft het Europese lex certa-criterium is van belang dat het recht volgens het Europese Hof toegankelijk (publicatie van wet en rechtspraak en mogelijkheid tot kennisname daarvan door de burger) en voorzienbaar moet zijn.15 Vage normen in de wet kunnen in de jurisprudentie zodanig uitgekristalliseerd zijn dat de werking van een bepaalde strafbaarstelling toch voldoende voorzienbaar is.16 De burger moet op grond van de bewoordingen van de relevante bepaling kunnen bepalen welke handelingen en nalatigheden tot strafrechtelijke aansprakelijk leiden en welke straf kan worden gegeven.17 Het Hof accepteert ruime bewoordingen om tegemoet te komen aan wijzigende omstandigheden. Maar de interpretatie in de rechtspraktijk moet wel consistent zijn met de essentie van het strafbare feit en moet redelijkerwijs voorzienbaar zijn.18 De vraag die met betrekking tot het Straatburgse beginsel dus speelt is of de burger op basis van het recht (de strafbepaling en hiermee verband houdende rechtspraak) voldoende in staat is te voorzien welke gedraging tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt.
Er bestaat weliswaar een discrepantie tussen het lex certa-beginsel en vele strafwettelijke bepalingen, maar het beginsel heeft wel betekenis als richtlijn voor wetgever en rechter: de wetgever wordt aangespoord in zijn strafbepalingen zo concreet mogelijk te zijn en de rechter om de betekenis van strafrechtelijke delictsomschrijvingen niet teveel uit te rekken zonder letterknecht te worden.19 Deze gedachte zal dan ook als uitgangspunt worden genomen bij het beoordelen van de strafbaarstelling inzake mensenhandel.
De volgende vragen zijn relevant ten aanzien van dit beginsel:
Welke begrippen worden gehanteerd in de strafbepaling en wat betekenen die begrippen?
Maken de gehanteerde begrippen voldoende concreet duidelijk welke gedraging is verboden zodat de burger voldoende in staat wordt gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen?
Is de burger op basis van het recht (de strafbepaling en hiermee verband houdende rechtspraak) voldoende in staat te voorzien welke gedraging tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt?