Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.1.0
1.6.1.0 Introductie
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859124:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser 1838, p. 300.
Van der Kemp 1970, p. 8 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 403, 406 en 408. Hieruit volgt tevens dat deze gronden uit de CC en de Romeinse bepalingen op onderdelen van elkaar verschillen. Zie daarover ook Van der Kemp 1870, p. 13.
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 403.
Van der Kemp 1870, p. 20. Zie ook Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409. In de ontwerpen uit 1816 en 1820 komt een vergelijkbare grond voor. Zie daarover par. 1.5.
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 402.
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 402. Hiermee is niet gezegd dat Weve deze gedragingen zonder gevolg wil laten. Daarvoor verwijs ik naar de hiervoor genoemde pagina.
Van der Kemp 1870, p. 20-21.
Asser 1838, p. 300.
Asser 1838, p. 301. Zie over de ratio nader par. 1.3.
Zie voor de uitzonderingen art.728 CC.
Asser 1838, p. 300.
Asser 1838, p. 300 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 408-409.
Asser 1838, p. 300 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 408-409.
Deze bespreking blijft beperkt tot relevante rechtspraak, wetswijzigingen en discussies die onder het oude recht hebben gespeeld. Onderdelen van art. 885 OBW die terugkomen in het huidige art. 4:3 BW komen bij de bespreking van art. 4:3 BW aan de orde.
Artikel 885 OBW somt de gronden op voor onwaardigheid in het versterferfrecht en luidt bij de invoering in 1838 als volgt:
‘Als onwaardig om erfgenamen te zijn, worden beschouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten:
Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene heeft omgebragt of getracht heeft om te brengen;
Hij, die bij regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den erflater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging van een misdrijf waartegen eene onteerende straf is bedreigd;
Hij, die den overledene door geweld of feitelijkheid belet heeft zijnen uitersten wil te maken of te herroepen;
Hij, die den uitersten wil van den overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalscht.’
De Nederlandse wetgever heeft zich bij het opstellen van deze bepaling laten inspireren door de Code Civil en het Romeinse recht. De eerste twee gronden komen vrijwel geheel overeen met de eerste twee gronden van artikel 727 CC.1 Indirect gaan deze gronden op het Romeinse recht terug. Het oudere recht, zowel hier als in Frankrijk, heeft onwaardigheid van de Romeinen overgenomen. Hoewel door de rechter destijds ook andere redenen dan bij de Romeinen waren aanvaard, zijn de eerste twee gronden uit de CC de Romeinen niet onbekend.2 In artikel 727 CC zijn de gronden beperkt en teruggebracht tot drie.3 De derde en vierde grond komen in het Franse recht niet voor. Hierbij heeft de wetgever rechtstreeks geput uit het Romeinse recht.4 Dat betekent dat alle gronden uit artikel 885 OBW zijn terug te voeren op het Romeinse recht.
Weve meent dat de onder 3 en 4 genoemde gronden niet tot onwaardigheid behoren te leiden.5 Het gaat hierbij volgens hem veeleer om een vergrijp tegen de benoemde erfgenaam of legataris, die daardoor benadeeld wordt, dan tegen de erflater.6 Deze mening is niet alom gedeeld.7 Van der Kemp stelt in mijn ogen terecht dat de erflater het recht heeft om naar eigen goeddunken over zijn bezittingen te beschikken, en wanneer iemand de uitoefening of de werking van dat recht belet of belemmert, dan tast hij ontegenzeggelijk de erflater aan in een van zijn gewichtigste rechten, dat niet genoeg gewaarborgd kan worden.8
Ook Asser kan zich vinden in de toevoeging van deze twee onwaardigheidsgronden. Volgens hem gaat het hierbij om misdrijven van zodanige aard dat de daders het in alle opzichten verdienen van de erfenis te worden uitgesloten.9 Met Asser ben ik bovendien van mening dat bij het ontbreken van deze gronden de erfgenaam voordeel kan trekken uit zijn eigen misdrijf. Doel en strekking van onwaardigheid is juist om dat te voorkomen.10
De Code Civil kende nog een derde onwaardigheidsgrond in artikel 727 CC. Deze grond is door de Nederlandse wetgever niet overgenomen. Volgens deze bepaling is – op een enkele uitzondering na11 – als onwaardig uitgesloten de meerderjarige erfgenaam, die van een jegens de erflater gepleegde moord kennis draagt, maar daarvan geen aangifte aan het gerecht heeft gedaan.12 De reden voor terzijdestelling van deze bepaling is dat de Nederlandse wetgever het als onzedelijk heeft aangemerkt iemand uit geldelijk belang te verplichten een misdaad aan te geven. Op elke burger rust de plicht een misdrijf aan te geven indien hij daarvan kennis draagt en er bestaat geen grond om de erfgenaam die dit nalaat meer te straffen dan elke andere burger, aldus de wetgever.13 Bovendien kan deze grond gemist worden, nu misdrijven van dien aard zelden verholen blijven.14 Voorts strookt het met de ratio van onwaardigheid deze onwaardigheidsgrond niet op te nemen, aangezien het niet de onwaardige is die zich ernstig tegen de erflater heeft misdragen.
In de navolgende paragrafen worden de verschillende leden van artikel 885 OBW elk kort afzonderlijk besproken.15