Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4
10.4 Naar een nieuw model voor voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Crijns, Leeuw & Wermink 2016(b), p. 214. Zie ook: Crijns, Leeuw & Wermink 2016(a), p. 3.
Bleichrodt, Mevis & Volker 2011, p. 163; Stevens 2012, p. 403-403; Van Veen 1974, p. 165.
Kamerstukken II 2015-2016, 29279, nr. 278, p. 56-57.
Deze Kamervragen zijn gesteld naar aanleiding van het verschijnen van het rapport van Crijns, Leeuw & Wermink 2016(a). Zie: Aanhangsel Handelingen II 2015-2016, 2887.
Ibid., p. 3. N.B. Na de afronding van dit concluderende hoofdstuk, is op 7 februari 2017 de conceptversie van het ‘Wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering’ gepubliceerd en in consultatie gegaan. Hierin wordt – anders dan in de contourennota en de daaraan voorafgaande discussiestukken – voorgesteld om het schorsingsmodel volledig uit de wet te schrappen en te vervangen door een model van ‘voorlopige vrijheidsbeperking’. Dit voorstel is echter niet meer meegenomen in het onderhavige onderzoek. Zie naschrift.
Met de term ‘voorlopige preventieve maatregel’ is beoogd tot uitdrukking te brengen dat het gaat om een ‘voorlopige’ maatregel (lees: hangende het strafproces) die uitsluitend mag worden ingezet om de door het EHRM erkende ‘preventieve’ doelen (lees: voorkomen dat een verdachte vlucht, de waarheidsvinding belemmert, recidiveert of dat zijn vrijlating maatschappelijke onrust veroorzaakt) te verwezenlijken.
Het in deze paragraaf gepresenteerde model heeft specifiek betrekking op minderjarige verdachten. Niettemin kan dit model ook inspiratie vormen voor de herziening van het huidige schorsingsmodel in het commune strafrecht. Dit valt echter buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
Zie de appendix bij dit hoofdstuk voor een concept-wettekst voor het model van voorlopige preventieve maatregelen voor minderjarige verdachten.
In bovenstaande paragraaf 10.3.1.1 is uiteengezet dat het huidige schorsingsmodel zich moeizaam leent voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen. Dit geeft aanleiding tot herbezinning op het huidige wettelijke systeem van de voorlopige hechtenis van minderjarigen en te zoeken naar een nieuw systeem dat beter aansluit bij de uitgangspunten die voortvloeien uit het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten.
Hiermee wordt tevens aangesloten bij de roep om herbezinning op het schorsingsmodel en de wettelijke inbedding van alternatieven die steeds luider doorklinkt in de literatuur over de voorlopige hechtenis voor volwassenen. Zo hebben Crijns, Leeuw & Wermink de wetgever opgeroepen te onderzoeken “in hoeverre de juridische constructie van alternatieven voor voorlopige hechtenis zodanig kan worden aangepast dat zij niet langer achter de voorlopige hechtenis verscholen zitten”.1 Eerder hebben Bleichrodt, Mevis & Volker en Stevens en – nog veel eerder – Van Veen ook geopperd om na te denken over de mogelijkheid om, los van de schorsing, alternatieven voor voorlopige hechtenis te kunnen inzetten.2 Tot op heden heeft dit in de literatuur echter nog niet geleid tot concreet uitgewerkte voorstellen voor een nieuw wettelijk systeem. Wel heeft dit thema nadrukkelijk de aandacht van de wetgever. De (toenmalige) minister van Veiligheid en Justitie benadrukte eind 2015 in de contourennota van het wetgevingstraject ‘Modernisering Wetboek van Strafvordering’ weliswaar dat er voor een “fundamentele herziening […] van de regeling van de voorlopige hechtenis geen aanleiding [bestaat]”, maar kondigde wel aan de mogelijkheden te bekijken om, naast de schorsing onder voorwaarden, vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen te introduceren die kunnen worden opgelegd zonder dat daarvoor eerst een bevel tot voorlopige hechtenis nodig is.3 Voorts stelde de Minister in juni 2016, in reactie op Kamervragen,4 de mogelijkheden voor de wettelijke inbedding van ruimere toepassingsmogelijkheden voor alternatieven, los van de beslissing van de rechter over de voorlopige hechtenis, nog nader te zullen onderzoeken.5
In deze context, wordt in deze paragraaf een aanzet gegeven tot het ontwikkelen van een model van ‘voorlopige preventieve maatregelen’6 voor minderjarige verdachten, gebaseerd op de structuur van het ‘alternatieve’ besluitvormingsschema, zoals is gepresenteerd in paragraaf 3.5.1 (Schema 3.B).7 Deze voorlopige preventieve maatregelen zijn niet bedoeld om te fungeren naast het schorsingsmodel, maar in plaats van het schorsingsmodel.
Beoogd wordt om afstand te doen van het huidige model van de ‘tweelagige’ besluitvorming (‘bevelsbeslissing’ en ‘tenuitvoerleggingsbeslissing’) en in plaats daarvan een model te creëren waarin de rechter, nadat hij heeft vastgesteld dat er sprake is van een geval, ernstige bezwaren en een grond (lees: een ‘acuut en ernstig gevaar ’ voor vlucht, recidive, belemmering van het onderzoek of maatschappelijke onrust) die het afwijken van het uitgangspunt dat de verdachte zijn proces in volledige vrijheid mag afwachten strikt noodzakelijk maakt, direct de beschikking krijgt over een breed scala aan voorlopige preventieve maatregelen die kunnen worden ingezet om aan die grond tegemoet te komen, zonder dat hiervoor eerst – zoals in het huidige schorsingsmodel – de zwaarste maatregel (de voorlopige hechtenis) moet worden bevolen. Het ontwerp van het model is erop gericht om een voor de autoriteiten werkbaar systeem van voorlopige hechtenis en alternatieve dwangmiddelen voor minderjarigen te creëren, waarin stevig wordt gewaarborgd dat voorlopige hechtenis van minderjarigen enkel op rechtmatige en niet-willekeurige wijze en slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast.
De introductie van een dergelijk nieuw model vereist evenwel aanpassing van de systematiek en inhoud van het huidige wettelijke kader, waaruit de figuur van de schorsing zal verdwijnen en wordt vervangen door de figuur van de ‘voorlopige preventieve maatregel’ en waarin ook de huidige regeling van de voorlopige hechtenis als zodanig (deels) op de schop zal moeten. In de volgende paragrafen worden de hoofdlijnen geschetst van het voorgestelde model van voorlopige preventieve maatregelen.8 Allereest wordt de figuur van de voorlopige preventieve maatregel nader geïntroduceerd (par. 10.4.1). Vervolgens wordt aandacht besteed aan het aanbod van beschikbare voorlopige preventieve maatregelen (par. 10.4.2.), de bevoegdheden en rollen van de betrokken actoren in het nieuwe model (par. 10.4.3), de toepassingscriteria voor voorlopige preventieve maatregel (par. 10.4.4), de termijnen van voorlopige preventieve maatregelen (par. 10.4.5), de mogelijkheid tot tussentijdse wijziging van voorlopige preventieve maatregelen (par. 10.4.6), de aanvullende verplichtingen (par. 10.4.7) en de verrekening van voorlopige preventieve maatregelen met de opgelegde straf (par. 10.4.8). Vervolgens wordt een besluitvormingsschema voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van minderjarigen gepresenteerd (par. 10.4.9). Afgesloten wordt met een vijftal reflecties op het voorgestelde model van voorlopige preventieve maatregelen (par. 10.4.10).
10.4.1 De figuur van de ‘voorlopige preventieve maatregel’10.4.2 Continuüm van voorlopige preventieve maatregelen10.4.3 Bevoegdheden en rollen van professionele actoren in het nieuwe model10.4.4 Toepassingscriteria voor voorlopige preventieve maatregelen10.4.5 Termijnen van voorlopige preventieve maatregelen10.4.6 Wijziging van voorlopige preventieve maatregelen10.4.7 Aanvullende verplichtingen bij voorlopige preventieve maatregelen10.4.8 Verrekening van voorlopige preventieve maatregelen met de straf10.4.9 Kinderrechtenconforme besluitvorming inzake voorlopige preventieve maatregelen10.4.10 Reflecties op het model van voorlopige preventieve maatregelen