Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.10.1
8.10.1 Het uitgroeien van het eigendomsrecht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400845:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rank-Berenschot 1992, p. 229, Peter 2007, p. 153 en Rongen 2014, p. 314.
Scheltema 2003, p. 301 werpt de retorische vraag op hoe het kan dat de rechtspositie van de eigenaar onder ontbindende voorwaarde na vervulling van de voorwaarde tenietgaat, hetgeen hij raadselachtig lijkt te vinden. Het antwoord op die vraag is echter verwant aan het antwoord op de vraag hoe het kan dat een verbintenis onder ontbindende voorwaarde door vervulling van de voorwaarde kan vervallen (art. 6:22 BW).
Zie paragraaf 8.2.1.
Vgl. Forkel 1962, p. 52-53 en Georgiades 1963, p. 98-99.
Zie het slot van paragraaf 8.2.6.
Zie ook Van Hees 1997, p. 99 die opmerkt dat art. 3:84 lid 4 BW tot gevolg heeft dat ondanks de voorwaarde een onmiddellijke rechtsverkrijging plaatsvindt, waarbij het recht een voorwaardelijk karakter heeft. Zo bezien is het verschil met het stelsel waarin vervulling van de voorwaarde terugwerkende kracht heeft, op dit punt niet aanwezig. De rechtsverkrijging heeft door de werking van art. 3:84 lid 4 BW immers ook op het moment van de levering plaatsgevonden. Zie treffend Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 324 en nr. 411. Dat het recht pas bij vervulling van de voorwaarde onvoorwaardelijk wordt, neemt niet weg dat de rechtsverkrijging al op dat moment heeft plaatsgevonden. Vgl. ook Scheltema 2003, p. 305 volgens wie overigens een stelsel met terugwerkende kracht desondanks de voorkeur verdient. M.i. dient een rechtsstelsel echter bij voorkeur geen ficties te hanteren, waar dat niet nodig is. Bovendien geeft een stelsel met terugwerkende kracht uitsluitend achteraf oplossingen voor problemen die gedurende de periode van onzekerheid bestaan. Dat is bezwaarlijk wanneer die periode een langere tijd bestrijkt. Vgl. Meijers 1948, p. 91.
In die richting echter Stolz 2015, p. 950 die spreekt over het ‘heen-en-weer schuiven’ van voorwaardelijke eigendomsrechten. Zie ook Mijnssen 1981, p. 646 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 243, alwaar wordt gesproken over het ‘terugkeren’ van het recht naar de vervreemder. Anders dan Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 200 opmerken, is geen sprake van een verkrijging onder bijzondere titel op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.
Zie M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 145 waar terecht wordt opgemerkt dat vervulling van de voorwaarde bewerkstelligt dat het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde eindigt. In gelijke termen T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 186: ‘De vervulling der voorwaarde doet hier rechten vervallen.’
Schnorr von Carolsfeld 1939, p. 179, Raiser 1961, p. 65 en Serick 1963, p. 252, voetnoot 51.
Zo bijv. Serick 1959, p. 174 en – met illustratie – Baur/Baur & Stürner 2009, p. 827.
Zie E. Zitelmann, Internationales Privatrecht. Zweiter Band, München: Duncker & Humblot 1912, p. 50-53, Von Tuhr 1914, p. 18-21, Raiser 1961, p. 3-4, Forkel 1962, p. 20-22 en 35-57 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 61. Vgl. ook Blomeyer 1938, p. 9 die opmerkt dat het Duitse recht voor voorwaardelijke beschikkingen daarmee deels een andere benadering heeft gekozen dan het gemene recht doordat de nadruk niet zozeer is komen te liggen op de Vorwirkungen, maar op de successieve totstand-koming van een beschikking. Wanneer men echter bedenkt dat de Anwartschaftslehre vervolgens de Vorwirkungen in het Anwartschaftsrecht is gaan lezen (zo bijv. Von Tuhr 1914, p. 19, Flume 1962, p. 394, Forkel 1962, p. 33-34, p. 64-101 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 17) en de functie van zowel het Anwartschaftsrecht als van de Vorwirkungen is gelegen in het veiligstellen dat vervulling van de voorwaarde het beoogde rechtsgevolg heeft, is de cirkel weer rond. Vgl. Schiemann 1973, p. 144-145. Zie voor Oostenrijk Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB. Rn. 52.
Von Jhering 1871, p. 461. Zo nog Serick 1993, p. 68.
Zie ook de bedenkingen van Brecht 1912, p. 272-273.
Zie bijv. Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 56 die het Anwartschaftsrecht beschouwt als een ‘vom dinglichen Vollrecht verschiedenes Recht’ en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 17 die opmerkt dat ‘das Anwartschaftsrecht als eigenes subjektives dingliches Recht neben das Eigentum tritt.’ Zo ook Diederichsen 1965, p. 125. Vgl. Bartels 1997, p. 89 en Struycken 2007, p. 557. Kritisch MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 36 die opmerkt dat het gevaar op de loer ligt ‘das Anwartschaftsrecht als ein gegenüber dem zu erwerbenden Eigentum verselbstständigtes Recht misszuverstehen.’ Zie ook kritisch L. Enneccerus, Rechtsgeschäft, Bedingung und Anfangstermin. Band II: Die Wirkung bedingter und befristeter Rechtsgeschäfte, Marburg: Elwert 1889, p. 440 die bezwaar maakt tegen de benadering waarin ‘die Rechte sich (…) aus einem unscheinbaren Keim (…) zur ausgewachsenen Existenz entwickeln.’
Een iets overtuigender verband tussen Anwartschaftsrecht en het eigendomsrecht wordt gelegd door Von Tuhr 1914, p. 68 die aanneemt dat bij een voorwaardelijke beschikking ‘eine aus dem Recht des Veräuûerers abgezweigte Anwartschaft [entsteht], welche sich bei Eintritt der Bedingung (…) in das Vollrecht verwandelt.’ In die richting ook Schnorr von Carolsfeld 1939, p. 179 en Diederichsen 1965, p. 125. Ook dan blijft echter onduidelijk hoe het Anwartschaftsrecht zich in het eigendomsrecht kan veranderen.
Zie bijv. Raiser 1961, p. 11: ‘Die Anwartschaft erlischt nicht, sondern ergänzt sich zum vollen Recht.’ In gelijke termen Rühl 1930, p. 87, Letzgus 1938, p. 15, Bauknecht 1955, p. 1253, Serick 1963, p. 54, Diederichsen 1965, p. 125, Larenz 1986, p. 115, Wieling 2006, p. 813, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 843 en Bülow 2012, p. 254. Soms wordt daarentegen juist aangenomen dat het Anwartschaftsrecht door vervulling van de voorwaarde tenietgaat (zo bijv. Reinicke 1941, p. 34) of – nog spectaculairder – tenietgaat omdÁt het uitgroeit tot het eigendomsrecht. Zo bijv. Leible & Sosnitza 2001, p. 345 en Soergel/Henssler 2002, Anh zu§ 929 BGB, Rn. 93. Kritisch: Pohle 1956, p. 751-752.
Zie bijv. Schnorr von Carolsfeld 1939, p. 183 die opmerkt dat het Anwartschaftsrecht ‘zur Entstehung kommen muû’, zodat ‘sich von selbst nach Bedingungseintritt Eigentum aus ihr entwickelt.’ Zie ook de kritiek van E. Eichenhofer, ‘Anwartschaftslehre und Pendenztheorie – Zwei Deuteungen von Vorbehaltseigentum –’, AcP 1985, p. 169-201 op dit Trennungsdenken in de Duitse doctrine, waarmee het Anwartschaftsrecht nadrukkelijk nÁÁst het eigendomsrecht op de zaak wordt geplaatst. Vgl. ook Mülbert 2002, p. 937-940.
Blomeyer 1954, p. 248. Zie ook Blomeyer 1938, p. 9 waar hij opmerkt dat de heersende leer uitgaat van een ‘Gegensatz von Anwartschaft und Vollrecht, der erst durch eine „Verwandlung“ überwunden werden muû’ en Blomeyer 1939, p. 129. Zie ook Stadler 1996, p. 291-292 die dit uit het oogpunt van de causaalheid van het Anwartschaftsrecht bekritiseert.
Raiser 1961, p. 64. Zie ook in die richting Forkel 1962, p. 137: ‘Das unter einer Bedingung vorgenommene Geschäft ist also keine Übereignung, sondern die rechtsgeschäftliche Begründung (…) einer Erwerbsaussicht auf Eigentum.’ Kritisch: Flume 1992, p. 725 die de rechtsverkrijging bij een voorwaardelijk overdracht weer in derivatieve termen omschrijft: door de vervulling van de voorwaarde verkrijgt de goederenrechtelijke overeenkomst waaraan de voorwaarde is verbonden haar werking, als gevolg waarvan het eigendomsrecht van de verkoper overgaat op de koper. Twijfelachtig is in een dergelijke benadering evenwel wat de functie van het Anwartschaftsrecht dan nog is en op welke wijze zou kunnen worden bewerkstelligd datde eigendom van de zaak op het moment van vervulling van de voorwaarde rechtstreeks toekomt aan de rechthebbende van het Anwartschaftsrecht, die niet noodzakelijkerwijze de wederpartij bij de Einigung behoeft te zijn. De functie van het Anwartschaftsrecht lijkt dan te zijn gelegen in het feit dat door middel van het overdracht van dat recht in wezen bewerkstelligd kan worden dat de verkrijger van het Anwartschaftsrecht als het ware in de plaats wordt gesteld van de koper bij de Einigung. Zo bijv. Pohle 1956, p. 751-752 die opmerkt dat de functie van het Anwartschaftsrecht zich ertoe beperkt ‘die Rechtszuständigkeit für den Erwerb festzulegen.’ Zie voor Oostenrijk in die richting Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 72 die opmerkt dat de overdracht van het Anwartschaftsrecht tot gevolg heeft dat het eigendomsrecht met vervulling van de voorwaarde op de verkrijger overgaat. Dat lijkt evenwel niet goed voorstelbaar, nu de verkoper en koper reeds de richting van de eigendomsovergang voordien hebben vastgelegd. Zie Staudinger/ Ostler 1955, § 455 BGB, Rn. 43 en BGB-RGRK/Kuhn 1959, § 455 BGB, Rn. 24. Vgl. ook Lempenau 1968, p. 65. Zie ook de terechte kritiek van Kupisch 1976, p. 425 op de halfslachtige benadering van Flume.
Reinicke 1941, p. 34, Forkel 1962, p. 125 en Rinke 1998, p. 91.
Vgl. punt 8 van de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 (Rabobank/Reuser). Daarentegen lijkt Bartels 1997, p. 94 juist voordelen te zien in dit scheidingsdenken in de Duitse dogmatiek. Zo ook Scheltema 2017, p. 98-100, die het recht van de koper als beperkt recht of als ‘het recht om het volle eigendomsrecht te verkrijgen’ karakteriseert. Geheel onduidelijk blijft daarbij hoe dit recht zich bij ver-vulling van de voorwaarde ontpopt tot de daadwerkelijke eigendom. Vergelijkbaars geldt voor de DCFR, waarin de verhouding tussen het contingent right van de koper onder eigendomsvoorbehoud ex art. VIII.- 2:307 DCFR en de zaak zelf niet erg helder is. Dit contingent right wordt gekwalificeerd als een beperkt recht in de zin van art. VIII.-1:204 DCFR, maar daarbij blijft onduidelijk op welke wijze dit beperkte recht zich door vervulling van de voorwaarde ontpopt tot de onvoorwaardelijke eigendom van de zaak zelf.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 567.
Zo bijv. Peter 2007, p. 152 en ook Brinkman 2014, p. 28 ten aanzien van de positie van de verwachter bij een tweetrapsmaking. Vergelijkbaars geldt voor de kwalificatie van Scheltema 2003, p. 337 e.v. als eigendomsverwachtingsrecht, dat – als een soort ‘beperkt recht’ – moet worden onderscheiden van het eigendomsrecht op de zaak.
Zie Peter 2007, p. 152, alwaar wordt betoogd dat de goederenrechtelijke aanspraak door vervulling van de voorwaarde uitgroeit tot een volledig eigendomsrecht en p. 15, alwaar wordt opgemerkt dat deze aanspraak door vervulling van de voorwaarde ‘overgaat’ in een eigendomsrecht. Vgl. ook Snijders 2006, p. 226 waar– in navolging van Snijders & Rank-Berenschot 2012, p. 412 – wordt opgemerkt dat geen sprake is van gedeelde eigendom, maar van een goederenrechtelijke aanspraak ‘welke als gevolg van de vervulling van de opschortende voorwaarde tot een volwaardig eigendomsrecht wordt.’
Zie nader paragraaf 8.2.3.
Het eigendomsvoorbehoud heeft – als verschijningsvorm van een overdracht onder opschortende voorwaarde – de strekking dat de verkrijger onvoorwaardelijk eigenaar wordt, indien de voorwaarde, waarvan de eigendomsoverdracht afhankelijk is gemaakt, in vervulling gaat. Dat de koper door betaling van de verschuldigde tegenprestatie onvoorwaardelijk eigenaar wordt, staat derhalve buiten kijf.1 Er bestaat daarentegen weinig aandacht voor de vraag op welke wijze deze onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging plaatsvindt.
Geregeld wordt volstaan met de constatering dat hert eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde door vervulling van de voorwaarde ‘uitgroeit’ tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht.2 Maar hoe laat zich binnen het goederenrechtelijk systeem verklaren dat dit recht zich na vervulling van de voorwaarde kan ontpoppen als een onvoorwaardelijk eigendomsrecht? Dit rechtsgevolg vloeit voort uit de systematiek van het Nederlandse recht bij een voorwaardelijke beschikking, waarin de voorwaarde aan het eigendomsrecht zelf wordt verbonden. Gedurende de periode van onzekerheid bestaan er twee eigendomsrechten die niet alleen elkaars complement vormen, maar ook spiegelbeeldig zijn, in die zin dat zij elkaar uiteindelijk uitsluiten. Zowel het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde heeft het in zich om (weer) onvoorwaardelijk te worden, al naar gelang de voorwaarde in vervulling gaat of vervalt.
Het uitgroeien van het opschortend voorwaardelijk eigendomsrecht tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht laat zich daarmee verklaren door het feit dat dit eigendomsrecht door vervulling van de voorwaarde zijn werking verkrijgt (vgl. art. 6:22 BW). Doordat tegelijkertijd het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde vervalt, wordt de koper onvoorwaardelijk eigenaar van de zaak. Zo bezien is de vraag op welke wijze het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan uitgroeien tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht niets anders dan de vraag hoe het kan dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde pas werking verkrijgt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat en daardoor een volwaardige verbintenis wordt.3
Hiervoor is al opgemerkt dat het opschorten van de werking van een rechtshandeling door middel van een opschortende voorwaarde berust op de door de wet gesanctioneerde partijautonomie.4 Het staat partijen vrij te bepalen dat een overdracht pas effect sorteert op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.5 Weliswaar verbinden partijen de opschortende voorwaarde aan de overdracht, als gevolg van de doorwerking van de aan de titel of goederenrechtelijke overeenkomst verbonden voorwaarde, maar artikel 3:84 lid 4 BW verbindt aan een dergelijke partijafspraak vervolgens de consequentie dat reeds voordien een recht overgaat dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen. Daarmee transponeert artikel 3:84 lid 4 BW de aan de overdracht verbonden voorwaarde naar het recht dat uit hoofde van die overdracht wordt verkregen. Het staat partijen vrij de rechtsgevolgen van een overdracht vooralsnog in te snoeren, in die zin dat de verkrijger pas (onvoorwaardelijk) eigenaar wordt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.
Het uitgroeien van het eigendomsrecht volgt dus uit de mogelijkheid die de wet aan partijen geeft om de werking van de overdracht vooralsnog op te schorten. Daaraan verbindt de wet vervolgens de gevolgtrekking dat gedurende de periode van onzekerheid twee eigendomsrechten bestaan, die door verval of vervulling van de voorwaarde respectievelijk tenietgaan of uitgroeien tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, vindt derhalve geen rechtsovergang plaats. Zoals hiervoor is betoogd,6 voltrekt het ‘derivatieve moment’ van de overdracht zich op het moment dat aan alle vereisten voor overdracht is voldaan en de koper meteen een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt.7 Daarbij moet de gedachte worden verworpen dat op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat ook het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde overgaat – of zelfs door elke deelbetaling gedeeltelijk zou overgaan – op de koper en de koper door samenvoeging en vermenging van beide eigendomsrechten onvoorwaardelijk eigenaar zou worden.8 Als gevolg van vervulling van de voorwaarde gaat het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde niet over op de koper, maar vervalt dit recht (art. 6:22 BW).9
Eveneens onjuist is de benadering volgens welke het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de koper door elke deelbetaling ook gedeeltelijk uitgroeit, als ware het een ballon die door elke betaling gedeeltelijk wordt opgeblazen. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft immers tot vervulling van de voorwaarde geen werking. Dit eigendomsrecht krijgt ook niet steeds ‘een beetje meer werking’ door elke deelbetaling die vervulling van de voorwaarde dichterbij brengt. Hoewel de benadering van het gedeeltelijk uitgroeien aanschouwelijk maakt dat het economisch belang van de eigenaar onder opschortende voorwaarde bij de zaak met elke deelbetaling toeneemt, heeft zij rechtens geen waarde. Een opschortende voorwaarde bewerkstelligt dat een verbintenis – of in dit geval: een eigendomsrecht – tot vervulling van de voorwaarde geen werking heeft. Gaat de voorwaarde in vervulling dan verkrijgt de verbintenis of het eigendomsrecht op dat moment in een keer de volledige werking. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verschilt niet in omvang of inhoud al naar gelang de vervulling van de voorwaarde nog lang niet te verwachten is of juist aanstaande is.10
De laatstgenoemde visie lijkt te zijn beïnvloed door het Duitse recht, waarin veelal wordt uitgegaan van een dergelijke organische ontwikkeling van het Anwartschaftsrecht tot het uiteindelijke eigendomsrecht.11 Deze benadering vloeit voort uit de oorsprong van de leer van het Anwartschaftsrecht, zoals zij tot ontwikkeling is gekomen aan het einde van de negentiende eeuw. Zij berust op de gedachte dat wanneer voor de overgang van een recht meerdere vereisten gelden en deze vereisten bovendien achtereenvolgens kunnen worden vervuld, met de vervulling van elk afzonderlijk vereiste de rechtsverkrijging dichterbij komt en meer wordt veilig gesteld.12 Daarmee wordt ook de positie van de verkrijger steeds sterker, nu zijn verwachting dat hij het recht ook daadwerkelijk zal verkrijgen, steeds zekerder wordt. De Anwartschaftsrechtslehre knoopt aan bij deze steeds sterker wordende verwachting, waarin zich een bepaald belang van de verkrijger manifesteert.13 In deze theorie wordt uitgegaan van een stapsgewijze ontwikkeling van de rechtsverkrijging, waarbij dikwijls de vergelijking wordt gemaakt met de nasciturus.14 Bij een dergelijke stapsgewijze benadering ligt de gedachte voor de hand dat het Anwartschaftsrecht ook met elke deelbetaling uitgroeit, nu daarmee vervulling van de voorwaarde immers dichterbij komt.
Deze benadering – waarop de hele ontwikkeling van het Anwartschaftsrecht berust – is symptomatisch voor de gebrekkige dogmatische fundering van dit recht in het goederenrechtelijk systeem. Tekenend is de wijze waarop het Anwartschaftsrecht volgens de heersende leer ontstaat en op welke wijze de uiteindelijke eigendomsverkrijging van de rechthebbende van het Anwartschaftsrecht plaatsvindt. Aangenomen wordt dat het Anwartschaftsrecht niet door de verkoper aan de koper wordt verschaft of overgedragen, maar dat dit recht simpelweg ‘ontstaat’ in de persoon van de verkrijger op het moment dat hij een beschermde rechtspositie heeft.15 Waar dit Anwartschaftsrecht precies vandaan komt, wordt daarbij niet duidelijk.16 In ieder geval is duidelijk dat dit Anwartschaftsrecht van de verkrijger naast het eigendomsrecht van de vervreemder staat, die nog altijd onvoorwaardelijk eigenaar is.17 Op welke wijze een zodanige vermenigvuldiging van rechten zou kunnen plaatsvinden is buitengewoon raadselachtig.18 Nog merkwaardiger wordt deze benadering op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. De vervulling van de voorwaarde heeft tot gevolg dat het Anwartschaftsrecht uitgroeit tot het eigendomsrecht van de verkochte zaak.19 Hoe dit Anwartschaftsrecht – dat naast de eigendom van de zaak staat! – zich op dat moment ontwikkelt tot het eigendomsrecht van de zaak blijft buitengewoon duister en is niet minder mystiek dan de gedaanteverwisseling die Gregor Samsa tot wanhoop dreef.20
Men kan zich afvragen of in een dergelijke benadering nog wel gesproken kan worden van een derivatieve rechtsovergang, nu het Anwartschaftsrecht uit het niets ontstaat in de persoon van de verkrijger en vervolgens zelfstandig uitgroeit tot een eigendomsrecht. Terecht heeft Blomeyer zich dan ook gekeerd tegen deze benadering:
‘Er [de rechtsverkrijging; toevoeging EFV] geschieht nicht durch rechtsgeschäftliche Übertragung, sondern in einer Weise, die nur ein Wundergläubiger hinnehmen kann! Ein deus ex machina überführt das Recht ,ipso iure’ auf die Partei, die es durch die bedingte Überführung eben nicht erhalten hatte. Dieser Übergang ist einfach ein Mirakel, denn er fällt aus unserem Rechtssystem völlig heraus.’21
En inderdaad wordt door sommigen aangenomen dat bij de eigendomsverkrijging door de koper in het geheel geen sprake is van een derivatieve verkrijging van het recht van diens voorman, maar van een rechtsverkrijging krachtens de wet.22
Problematisch aan deze benadering is dat de verhouding tussen het Anwartschaftsrecht en de eigendom van de zaak buitengewoon onhelder is. Men poogt deze problematiek te versluieren door te spreken van een Minus van het eigendomsrecht, maar in werkelijkheid behandelt het Duitse recht het Anwartschaftsrecht wel degelijk als iets anders dan het eigendomsrecht: als een aliud.23 Gelet op deze onduidelijkheden en het gebrek aan dogmatische fundering verdient het Nederlandse stelsel de voorkeur, waarin het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gewoon een eigendomsrecht is.24 Daardoor laten zich niet alleen de rechtsgevolgen van de voorwaardelijke overdracht eenvoudig typeren, maar is bovendien ook meteen duidelijk welke bepalingen van toepassing zijn op dit recht, namelijk de bepalingen die betrekking hebben op eigendomsrechten. In die richting gaat ook de Oostenrijkse literatuur, waarin het Anwartschaftsrecht veel meer gelijk wordt gesteld met het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.25
De hiervoor genoemde bezwaren richten zich ook tegen de in de Nederlandse literatuur wel voorkomende benadering die, onder invloed van het Duitse recht, de rechtspositie van de koper niet zozeer typeert als een voorwaardelijk eigendomsrecht, maar als een goederenrechtelijke aanspraak of niet nader gekwalificeerde eigendomsverwachting, die voortvloeit uit diens beschermde rechtspositie.26
Deze beschermde rechtspositie zou een gevolg zijn van het feit dat de eigendomsverkrijging uitsluitend afhankelijk is van de voldoening van de verschuldigde prestatie, hetgeen hij zelf in de hand heeft. Ook hier blijft onduidelijk op welke wijze deze goederenrechtelijke aanspraak tot ontstaan wordt gebracht, hoe dit recht gekwalificeerd moet worden, welke regels van toepassing zijn en in welke verhouding deze aanspraak staat tot de verkochte zaak zelf.27 Illustratief hiervoor zijn de problemen die in deze benadering bestaan bij de verklaring van het feit dat op de goederenrechtelijke aanspraak gevestigde beperkte rechten na vervulling van de voorwaarde op de zaak zelf komen te rusten. Hiervoor is bovendien al betoogd dat deze benadering uitgaat van een cirkelredenering, nu de positie van de koper pas beschermd is als hem een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde toekomt.28 Voorts staat zij op gespannen voet met artikel 3:84 lid 4 BW, dat onomwonden uitdrukt dat de koper uit hoofde van de overdracht een recht verkrijgt dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen.