Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/409
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Tweedefasebeschikking (art. 2:355 BW); is OK steeds gehouden tot toewijzing verzoek vaststelling wanbeleid i.g.v. ernstige gebreken van formele en materiële aard, waarbij onvoldoende oog is geweest voor belang vennootschap en minderheidsaandeelhouders?
HR 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:403
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons
- Zaaknummer
25/00552
- Conclusie
A-G mr. B.F. Assink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:403, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:916, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑08‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑02‑2025
- Wetingang
Art. 2:355 BW
Essentie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Tweedefasebeschikking (art. 2:355 BW); is OK steeds gehouden tot toewijzing verzoek vaststelling wanbeleid i.g.v. ernstige gebreken van formele en materiële aard, waarbij onvoldoende oog is geweest voor belang vennootschap en minderheidsaandeelhouders?
Samenvatting
Aan de klachten ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat de ondernemingskamer steeds gehouden is om een verzoek tot vaststelling van wanbeleid toe te wijzen indien sprake is van ernstige gebreken van zowel formele als materiële aard, waarbij onvoldoende oog is geweest voor het belang van de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders. Die rechtsopvatting is in haar algemeenheid onjuist. De ondernemingskamer kan in de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.