Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.4.0
9.3.4.0 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940695:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.5.2.5. Zoals aldaar is opgemerkt, kan het ook om andere personen dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige gaan. Te denken valt bijvoorbeeld aan de werknemer van een inhoudingsplichtige (zie art. 67c lid 4 en art. 67f lid 6 AWR juncto art. 20 lid 2 AWR), of de wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder die desgevorderd de fiscale verplichtingen van de belastingplichtige moet nakomen (zie art. 67ca lid 1 onder a AWR juncto art. 43 AWR). Naar mijn inschatting zal over de hoedanigheid van dergelijke personen in de praktijk weinig discussie bestaan, reden waarom ik deze personen verder buiten beschouwing laat.
Degene die vermoedelijk belasting- of inhoudingsplichtig is, kan op grond van art. 6 AWR door de inspecteur worden uitgenodigd om aangifte te doen. Als uiteindelijk komt vast te staan dat diegene niet belasting- of inhoudingsplichtig is, kan aan hem dus geen boete worden opgelegd, aangezien de vereiste kwaliteit ontbreekt (zie bijvoorbeeld art. 67a, 67b, 67d en 67e AWR).
Zie voor deze leerstukken in het strafrecht Meijer, Seuters & Ter Haar 2013, hoofdstuk 3 en De Hullu 2006, hoofdstuk VII (deelneming) en p. 143 e.v. (daderschap).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 12-15 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.26.
Uit de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 16 november 2017 (zie V-N 2017/60.5) volgt dat er tot op dat moment ongeveer 20 medepleegboetes waren opgelegd (vrijwel allemaal na 1 januari 2015) en in het geheel nog geen boetes op grond van art. 67o AWR (zie omtrent dat laatste ook Kamerstukken II 2018/19, 35 027, nr. 3, p. 20). Zie voor enkele voorbeelden: Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR door een belastingadviseur, boete vernietigd), Hof Amsterdam 4 februari 2020, V-N 2020/16.26 (medeplegen van het vergrijp van art. 10a AWR door een belastingadviseur), Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22 (boete wegens medeplegen voor een als derde bij een overdrachtsbelastingconstructie betrokken notaris), in samenhang met Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5 (‘eigen’ boete voor de belastingplichtige, X BV) en Rb Den Haag 22 augustus 2017, V-N 2017/55.6 (boete wegens feitelijk leidinggeven aan het vergrijp van art. 10a AWR).
Wat hij dan precies moet bewijzen, volgt uit de in paragraaf 6.5 beschreven criteria. Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 12-15.
Zie voor enkele voorbeelden, waarin een streep werd gezet door de toerekening van opzet of grove schuld aan de fiscale partner Rb Noord-Holland 9 november 2020, V-N 2021/4.24.11, r.o. 24-25 en de zaak die heeft geleid tot HR 21 september 2018, NTFR 2018/2215 (art. 81 Wet RO). Zie voor een voorbeeld waarin de boete (wel) overeind bleef Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, V-N 2022/2.22.30, r.o. 4.6.
Zie voor een voorbeeld Rb Gelderland 2 februari 2022, V-N 2022/18.22.14 (met name r.o. 27).
Ik merk op dat hierover ook wel anders wordt gedacht: vgl. het onderscheid tussen gemachtigden en werknemers dat A-G IJzerman in punt 5.24 van zijn conclusie bij HR 29 mei 2015, V-N 2015/27.17, BNB 2015/146, FED 2015/69 maakte. De Hoge Raad maakt echter, zoals uit het arrest blijkt (zie met name r.o. 2.4.4), geen onderscheid tussen werknemers en adviseurs. Zie in dezelfde zin ook Hof ‘s-Hertogenbosch 6 september 2019, V-N 2020/9.18, r.o. 4.12-4.13.
Zie daaromtrent nader paragraaf 6.5.2.3.
Naast de verwijtbaarheid en het kale beboetbare feit is ook de kwaliteit (in de zin van de hoedanigheid) van de overtreder een element van de delictsomschrijving. Daarmee vormt de kwaliteit een centrale stelling, ‘beyond reasonable doubt’ te bewijzen door de inspecteur. In eerste instantie gaat het daarbij om de hoedanigheid van belastingplichtige of inhoudingsplichtige, die als zodanig wordt genoemd in de delictsomschrijvingen van de fiscale bestuurlijke boetes.1 Het praktische belang van het kwaliteitsvereiste is in gevallen waarin een boete wordt opgelegd aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige zelf echter gering. Als die hoedanigheid ter discussie staat, zal immers reeds in de sfeer van de heffing worden opgeworpen dat degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd, niet belasting- of inhoudingsplichtig is. Indien die stelling slaagt, is er uiteraard ook geen grond meer voor het opleggen van een boete.2 Wel bestaat de mogelijkheid dat de inspecteur in de sfeer van de heffing slechts aannemelijk kan maken dat er sprake is van een belasting- of inhoudingsplichtige. In de sfeer van de boete is dat niet genoeg, omdat het bewijs van de kwaliteit daar naar de zware gradatie van ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd. Als er redelijke twijfel bestaat over de hoedanigheid van degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd, kan dat dus betekenen dat de boete moet vervallen, terwijl de belastingaanslag in stand blijft.
De wetgever heeft de kring van mogelijke boete-adressanten in de afgelopen jaren stapsgewijs verruimd naar (rechts)personen die zelf niet de hoedanigheid van belasting- of inhoudingsplichtige bezitten (althans niet in het kader waarbinnen de betreffende boete wordt opgelegd). In de eerste plaats brengt het medio 2009 ingevoerde art. 5:1 Awb mee, dat fiscale bestuurlijke boetes ook aan de medepleger, de opdrachtgever en de feitelijk leidinggever kunnen worden opgelegd. De fiscale wetgever heeft de kring van personen aan wie een boete kan worden opgelegd in 2014 nog verder uitgebreid, door ook de strafrechtelijke figuren van de doen pleger, uitlokker en medeplichtige boeterechtelijk aansprakelijk te stellen.3 Wel is medeplichtigheid bij verzuimboetes wettelijk uitgesloten.4
Aan al deze personen kan dus een fiscale bestuurlijke boete worden opgelegd, ondanks dat zij zelf niet de volgens de delictsomschrijvingen vereiste kwaliteit van belastingplichtige of inhoudingsplichtige hebben. De genoemde wettelijke bepalingen behelzen dan ook niet zozeer een uitbreiding van het kwaliteitsvereiste, maar zij regelen veeleer de zogenoemde daderschaps- en deelnemingsvormen die bepalen welke andere personen op eigen titel beboet kunnen worden. Wanneer de inspecteur aan een van hen een boete oplegt, zal hij moeten bewijzen dat diegene inderdaad de betreffende hoedanigheid (van medepleger, opdrachtgever, feitelijk leidinggever, doen pleger, uitlokker of medeplichtige)5 heeft.6 Die hoedanigheid moet dan dus als het ware worden ingelezen in de eigenlijke delictsomschrijving. Voor de precieze betekenis van de verschillende daderschaps- en deelnemingsvormen verwijs ik naar paragraaf 6.5. Ik merk ten slotte op dat er in de praktijk nog maar weinig boetes aan anderen dan belasting- of inhoudingsplichtigen zijn opgelegd.7
Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat het kwaliteitsvereiste in bewijsrechtelijk opzicht op zichzelf niet veel problemen hoeft op te leveren. De hoedanigheid van belasting- of inhoudingsplichtige is, zo daarover getwist wordt, in de sfeer van de heffing immers al ter discussie gesteld. Verschillen met de sfeer van de heffing kunnen alleen ontstaan vanwege de in de boetesfeer vereiste zware gradatie (‘beyond reasonable doubt’). Voor wat betreft de daderschaps- en deelnemingsvormen speelt de vraag of degene aan wie de boete is opgelegd, de hoedanigheid van medepleger, opdrachtgever, feitelijk leidinggever, doen pleger, uitlokker of medeplichtige heeft alleen in de boetesfeer. De inspecteur zal (ook) in die gevallen steeds ‘beyond reasonable doubt’ moeten bewijzen dat de persoon aan wie hij de boete heeft opgelegd, inderdaad die hoedanigheid heeft.8
Wel problematisch zijn de gevallen waarin de inspecteur gedragingen van door de belasting- of inhoudingsplichtige ingeschakelde derden wil toerekenen aan de belasting- of inhoudingsplichtige. De vraag is dan of de verwijtbaarheid of het feitelijk handelen van die derde voor rekening van de belasting- of inhoudingsplichtige mag komen. Zoals zal blijken, kan het antwoord op die vraag in de boetesfeer anders luiden dan in de sfeer van de heffing. In het vervolg van deze paragraaf ga ik daarom nader in op deze toerekeningsproblematiek. Ik merk op dat het daarbij (in termen van de centrale stellingen) niet zozeer gaat om het bewijs van de kwaliteit, maar veeleer om het bewijs van de verwijtbaarheid of van het kale beboetbare feit.
De toerekeningsproblematiek is niet beperkt tot de (belasting)adviseur: iedere persoon die is betrokken bij de fiscale aangelegenheden van de belastingplichtige, diens fiscale belangen behartigt of namens hem in fiscalibus optreedt, waaronder ook begrepen de fiscale partner,9 de medevennoot,10 de werknemer en de vertegenwoordiger, kan immers een fout maken die aanleiding geeft tot het constateren van een beboetbaar feit.11 Omwille van de leesbaarheid bedien ik mij in het vervolg (in het verlengde van de ‘gemachtigde’ uit art. 2:1 lid 1 Awb) veelal van de algemene term ‘derde-gemachtigde’, waarmee ik het oog heb op al deze personen. Ook zal ik mij in het navolgende (weer) beperken tot ‘belastingplichtige’, waaronder evenwel ook ‘inhoudingsplichtige’ kan worden verstaan. Verder merk ik op, dat het begaan van beboetbare feiten door rechtspersonen logischerwijs altijd kan worden teruggevoerd op een (al dan niet verwijtbaar) handelen of nalaten door natuurlijke personen. In het kader van de beantwoording van de vraag of de rechtspersoon zelf een beboetbaar feit heeft begaan, kan echter niet van een daadwerkelijke toerekening worden gesproken. Het komt er in dat verband op aan of het handelen of nalaten van de natuurlijke personen plaatsvond ‘in de sfeer van de rechtspersoon’. Daarom laat ik deze vorm van ‘toerekening’ in het navolgende buiten beschouwing.12