Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.6:9.6 Restaanspraak
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.6
9.6 Restaanspraak
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85566:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De restaansprakelijkheid van de voormalige 403-aansprakelijke maatschappij is de in haar 403-verklaring begrepen hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden uit rechtshandelingen van de voormalige 403-rechtspersoon die overblijft nadat zij haar 403-aansprakelijkstelling heeft ingetrokken voordat jegens derden een beroep op deze intrekking kan worden gedaan. Anders dan de 403-aansprakelijkheid zonder intrekking kan deze restaansprakelijkheid niet toenemen door verplichtingen uit nieuwe rechtshandelingen, maar wel door later opkomende verplichtingen uit reeds voor de werking van de intrekking door de 403-rechtspersoon aangegane overeenkomsten (waaronder duurovereenkomsten).
De voormalige 403-rechtspersoon wordt in het kader van de restaansprakelijkheid in art. 2:404 lid 5 BW aangeduid met hoofdschuldenaar. Deze terminologie mag geen misverstand oproepen omdat de restaansprakelijke maatschappij (= de maatschappij die haar 403-aansprakelijkstelling heeft ingetrokken) en de rechtspersoon voor wie de restaansprakelijkheid loopt (= de voormalige 403-rechtspersoon) hoofdelijk zijn verbonden ten aanzien van eenzelfde schuld. In essentie is er geen verschil met de 403-aansprakelijkheid. Ook hier kent de restaansprakelijke maatschappij niet specifiek de rechthebbenden van de uit de rechtshandelingen van de voormalige 403-rechtspersoon voortvloeiende vorderingsrechten jegens de voormalige 403-rechtspersoon. Al hetgeen in de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk aan de orde is gekomen, geldt dan ook voor de restaansprakelijkheid en de restaanspraken van de daartoe gerechtigden.
Ook hier kan de discussie spelen over het moment dat de restaanspraak ontstaat. Daar de 403-aanspraak die voorafgaat aan de restaanspraak, is ontstaan zodra er een uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voortvloeiend vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon is, geldt dit logischerwijze eveneens voor de restaanspraak, aangenomen dat het vorderingsrecht nog niet is voldaan. In de door mij niet gedeelde opvatting dat pas een vordering op de aansprakelijke maatschappij ontstaat nadat de schuldeiser van zijn bevoegdheid om betaling te vorderen gebruik maakt, is er pas een restaanspraak jegens de restaansprakelijke maatschappij indien de schuldeiser betaling van de restaansprakelijke maatschappij vordert. Voor de rechtsgevolgen maakt dit niet veel uit. In ieder geval geldt dat als een schuldeiser zijn vorderingsrecht jegens de voormalige 403-rechtspersoon uit de tijd dat die nog een 403-rechtspersoon was, overdraagt aan een ander, die ander de schuldeiser van de 403-rechtspersoon is geworden en uit dien hoofde tevens de restaanspraakgerechtigde. Degene die het vorderingsrecht heeft overgedragen, heeft geen vordering meer op de rechtspersoon en daarmee tevens geen restaanspraak jegens de restaansprakelijke maatschappij.
Als de schuldeiser van de restaansprakelijke maatschappij betaling van zijn restaanspraak wenst en desverzocht zijn gerechtigdheid heeft aangetoond, is de restaansprakelijke maatschappij gehouden tot voldoening. Als hij daartoe niet overgaat, gelden de in het BW opgenomen regels omtrent ingebrekestelling en het intreden van verzuim.1 Als de restaansprakelijke maatschappij tot voldoening is overgegaan, ontstaat vanaf dat moment een regresvordering op de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is.2
De restaansprakelijkheid van de restaansprakelijke maatschappij neemt af naar mate de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is, zelf de desbetreffende verplichtingen nakomt dan wel kan verminderen door onder meer afstand van de restaanspraak van de restaanspraakgerechtigde jegens de restaansprakelijke maatschappij, door verjaring van de restaanspraak en door nakoming van de restaanspraak jegens de restaanspraakgerechtigden, en kan vervallen door beëindiging van de restaansprakelijkheid.3 Vermindering van de restaansprakelijkheid is er voorts door verjaring van de vordering jegens de voormalige 403-rechtspersoon in de visie dat sprake is van verval van hoedanigheid,4 alsmede in de situatie dat in de 403-verklaring is opgenomen dat een dergelijke verjaring ook de 403-aanspraak doet eindigen.5 In de ‘één vordering/twee schuldenaren’-opvatting zou de restaansprakelijkheid moeten verminderen door afstand van de vordering jegens de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is, evenals in de borgtochtachtige opvattingen.6 In die borgtochtachtige opvattingen geldt dit bij verjaring van de vordering op de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is.7 Het verval van de restaansprakelijkheid door beëindiging van de restaansprakelijkheid is alleen mogelijk zoals meermaals is opgemerkt indien de restaansprakelijke maatschappij en de rechtspersoon die hoofdschuldenaar is, niet meer tot dezelfde groep behoren.