Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/7.3.8
7.3.8 Gevaarlijke aard van de ondernemingsactiviteit
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713235:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Bolt & Spier 1996, p. 167.
Vloemans, AV&S 2010/2.
HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0567, NJ 2011/406, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Melchemie/Delbanco).
Hof Arnhem 21 april 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BI4766, (Delblanco/Melchemie), r.o. 4.15.
Concl. A-G Keus, ECLI:NL:PHR:2011:BP0567, bij: HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0567, NJ 2001/406 (Melchemie/Delbanco); Vgl. Rb. Den Bosch 16 febr 1990, M en R 1990/57 (Staat/Gerjo): “[D]at van degene die deze bedrijvigheid uitoefende, mocht en moest worden verlangd dat hij zich op de hoogte stelde of liet stellen omtrent de aard van het gevaar van het productieproces en van de daarbij gebruikte of daaruit vrijkomende stoffen”; Rb. Arnhem 24 aug 1989, TMA 1991, p. 134 (Staat/Heijting), r.o 18: “Nu was in die tijd weliswaar niet de gemiddelde mens van de desbetreffende gevaren op de hoogte, maar van bedrijven die bedrijfsmatig met chemicaliën omgingen en deze regelmatig loosden mocht – ook in die tijd – méér besef worden verwacht.” Zie ook Bauw 1994, p. 123: “Bedrijfsmatige vervaardigers, gebruikers van of handelaren in stoffen zullen immers altijd op de hoogte zijn van de identiteit en de aanwezigheid van de stoffen die zij vervaardigen, gebruiken of verhandelen.”
HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0567, NJ 2001/406, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Melchemie/Delbanco); HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103, m.nt. I. Giesen (Eternit/Horsting); HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, m.nt. T. Hartlief (Lansink/Ritsma).
Kristen & Emaus 2020, voetnoot 29.
Katan, Ondernemingsrecht 2021/106, p. 665.
Een zevende gezichtspunt is de (gevaarlijke) aard van de ondernemingsactiviteit. Ten eerste is de gedachte dat degene die gevaarlijke activiteiten uitvoert, over een hoger kennisniveau moet beschikken. Zo geldt het uitgangspunt dat de aanbieder van risicovollere financiële producten of diensten, zoals de beleggingsdienstverlener, wordt geacht over een hoger kennisniveau te beschikken dan de aanbieder van minder risicovolle producten of diensten, zoals de kredietaanbieder. Ten aanzien van het gevaarzettingsleerstuk hebben Bolt & Spier geschreven, dat een hoger kennis- en zorgniveau kan worden verwacht indien de ondernemer werkt met ‘moderne’ gevaren, zoals machines, chemische substanties of gevaarlijke stoffen.1 Zo geldt voor bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen een verscherpte maatmens.2
Een voorbeeld vormt het arrest Melchemie/Delbanco.3 Melchemie had chemische stoffen doen opslaan door CMI. Deze chemische stoffen waren door CMI naast een partij paardenhaar van Delbanco opgeslagen. Na een inspectie van de Milieudienst Rijnmond, had CMI het bericht ontvangen dat zij in overtreding was van de Wet milieubeheer. CMI had Melchemie op de hoogte gesteld van deze inspectie. Enige tijd later ontstond brand in de opslag doordat een (ander) vat met chemicaliën was gevallen op de goederen van Melchemie. De brand was overgeslagen naar de goederen van Delblanco, waardoor de partij paardenhaar verloren was gegaan. De verzekeraars van Delblanco stelden Melchemie aansprakelijk. De vraag was of Melchemie kennis had of behoorde te hebben van het algemene gevaar en het concrete risico. Ten aanzien van de kennis omtrent het algemene risico (de kennis omtrent de eigenschappen van de oxiderende stof) overwoog het hof (onder andere):
“Melchemie gebruikte de stof in de uitoefening van haar bedrijf. Daarmee mocht van haar worden verlangd dat zij op zichzelf bekend was met de bijzondere gevaren van ernstige aard die verbonden waren aan de oxyderende stof, waaronder brandgevaar.” 4
Uit Melchmie/Delbanco of de rechtspraak over financiële aansprakelijkheid volgt mijns inziens niet dat van ondernemers die werken met bepaalde gevaren in algemene zin een hoger kennisniveau mag worden verwacht. Een hoger kennisniveau mag enkel worden verwacht ten aanzien van de producten of de diensten van de ondernemer. Dit heeft meer te maken met de invloed of zeggenschap die een ondernemer heeft over zijn eigen producten of diensten, dan met de gevaarlijke aard ervan. A-G Keus lijkt in zijn conclusie voor Melchemie/Delbanco hier tevens op te hinten. Volgens hem mag van een eigenaar en bedrijfsmatig gebruiker van de stof meer kennis worden verwacht dan van “een willekeurige derde die niets met gevaarlijke stoffen van doen heeft.”5
De gevaarlijke aard van de ondernemingsactiviteiten is van belang voor de omvang van het risico. Zo is bijvoorbeeld sprake van een gevaarsverhoging indien de onderneming werkt met (onbekende) gevaarlijke stoffen.6 Ook indien de bedrijfsvoering is gericht op het aanbieden van gevaarlijke activiteiten, wordt het risico groter ingeschat en wordt van de onderneming eerder verwacht dat zij extra voorzorgsmaatregelen neemt. Een vergelijkbare redenering is te zien in de literatuur over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bedrijven die zich bijvoorbeeld bezighouden met mijnbouw roepen grotere risico’s in het leven.7 Verder hebben producenten van fossiele brandstoffen een grotere invloed op klimaatverandering en zouden zij, gelet op dit gevaar en de invloed die zij kunnen uitoefenen over hun productie, tot meer zorg gehouden zijn.8
De ratio van het hanteren van een andere maatmens indien de onderneming een gevaarlijke stof gebruikt of een gevaarlijke activiteit uitvoert, is voornamelijk gelegen in het gevaarzettingsbeginsel. Een andere reden die een rol speelt is het feit dat de onderneming zeggenschap heeft over deze activiteiten en handelingen. Daarmee heeft het meer mogelijkheden om het risico te achterhalen en, zo nodig, te beheersen.