Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.4.2
4.4.2 Besluitvorming
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174096:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000-2001, 27 181, nr. 5, p. 31; Van Mierlo/Bart 2002, p. 314.
De tekst van artikel 26 Wet RO (oud) luidde: ‘In alle zaken zal de president hoofdelijk omvraag doen, beginnende met de commissaris of rapporteur, en vervolgens aan de verdere leden, van de jongstbenoemde tot de oudste; de president brengt het laatst zijn advies uit.’
De Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie van 1827 en 1835 bepaalde wel dat de gerechtshoven en Hoge Raad slechts met meerderheid van stemmen een veroordeling konden uitspreken.
Het gaat om rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechterlijke ambtenaren in opleiding, de griffier, substituut-griffier en waarnemend griffiers van de Hoge Raad, gerechtsambtenaren en buitengriffiers. Ingevolge artikel 31 Wet RvS, artikel 3 Beroepswet en artikel 4 Wbbo geldt de geheimhoudingsplicht ook voor de rechtsprekers in de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van beroep voor het bedrijfsleven. De bepalingen zijn ook van toepassing op de deskundige leden van een meervoudige kamer; zie artikel 48, tweede lid, artikel 55a, tweede lid, artikel 66, tweede lid, artikel 67, derde lid, artikel 69, tweede lid, en artikel 70, tweede lid, Wet RO (alsook Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 43).
Bovend’Eert m.m.v. Kortmann 2013, p. 93; Drion & De Savornin Lohman 1973, p. 7 e.v.
Hof Leeuwarden 24 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL5431. Zie voorts: Parket Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2261 (concl. A-G G. Knigge), overweging 5.3.
Bevestigd in HR 6 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3458. De rechterlijke macht beperkt zich in de communicatie met de buitenwereld echter niet tot de uitspraak. Zo lichten persrechters publiciteitsgevoelige beslissingen toe aan media en publiek en wordt soms uitleg over uitspraken verschaft op rechtspraak.nl. Zie ook Dijkstra 2016, p. 57-58, en Den Tonkelaar 2013.
Sinds 2019 zijn de mogelijkheden verruimd om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen door de Hoge Raad. Daartoe behoren een schriftelijke berisping en een disciplinaire schorsing (Wet van 20 november 2018, Stb. 2018, 446).
De regels die de wet stelt over de wijze van rechterlijke besluitvorming zijn voornamelijk procedurevoorschriften over het beslissen in meervoudige kamer. Zo is bepaald dat de voorzitter van de meervoudige kamer hoofdelijk omvraag doet onder de leden van de kamer en als laatste zelf zijn oordeel geeft. Alle leden van de meervoudige kamer nemen aan de besluitvorming deel. Alle aanwezigen in de raadkamer zijn verplicht tot geheimhouding over de zaak die in meervoudige of enkelvoudige kamer wordt behandeld (art. 7, eerste tot en met derde lid, Wet RO). Verder worden rechterlijke beslissingen op straffe van nietigheid genomen door het in de wet bepaalde aantal rechtsprekers (art. 5, tweede en derde lid, Wet RO). Meervoudige en enkelvoudige kamers moeten hun beslissingen binnen redelijke termijn nemen en motiveren (art. 6, eerste lid, EVRM; art. 121 Gw, art. 5 Wet RO, art. 30 Rv, art. 8:67, tweede lid, en 8:77, eerste lid, Awb, art. 359 Sv). Weigeren om recht te spreken is niet toegestaan (art. 13 Wet algemene bepalingen). De rechtstraditie in Nederland brengt mee dat een kamer, ongeacht het aantal leden waar deze uit bestaat, steeds als eenheid naar buiten treedt. Dat betekent dat de leden van een meervoudige kamer tot een gemeenschappelijke beslissing moeten komen als de kamer uitspraak in een zaak doet. De beraadslagingen daarover noemt men het raadkameroverleg.
De vraag rijst hoe de bepaling over de gezamenlijke besluitvorming van artikel 7, tweede lid, Wet RO, moet worden geïnterpreteerd. Volgens de memorie van toelichting brengt het gebod van deze bepaling mee dat de leden van de meervoudige kamer niet afwezig mogen zijn tijdens de besluitvorming.1 De verplichting tot aanwezigheid wordt wel ruim opgevat, want blijkens de memorie van toelichting hoeven rechters ‘door gebruikmaking van de moderne technologie op het gebied van telecommunicatie’ niet altijd fysiek aanwezig te zijn tijdens het besluitvormingsproces.2 Te denken valt aan vergaderen op afstand door middel van teleconferencing. De rechter dient daadwerkelijk deel te nemen aan het proces dat aan het nemen van een besluit vooraf gaat en het nemen van het besluit zelf. Niet kan dus worden volstaan met het zetten van een handtekening onder de uitspraak. De voorzitter van de meervoudige kamer dient hierop toe te zien.3 Zo dragen de leden van de meervoudige kamer formeel en materieel gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor de behandeling en de beslissing.
Voorheen weidde de Wet RO meer uit over de wijze van besluitvorming. Artikel 26, eerste lid, Wet RO (oud) schreef voor in welke volgorde de rechters in meervoudige kamer hun oordeel over een zaak aan elkaar kenbaar moesten maken.4 Deze regel zou verhinderen dat rechters met een beperkt aantal dienstjaren zich zouden laten beïnvloeden door rechters van hogere anciënniteit. Voorts bepaalde artikel 27 Wet RO (oud):
‘Wanneer er meer dan twee verschillende gevoelens zijn uitgebracht, zal het besluit worden opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt met het gevoelen van de meerderheid.’
Daarmee werd impliciet erkend dat besluitvorming plaatsvindt bij meerderheid van stemmen. In 1993 zijn deze bepalingen geschrapt, omdat de wetgever ze ‘onnodig, althans belemmerend’ vond.5 Dit lijkt erop te wijzen dat rechters zelf mogen bepalen hoe zij tot beslissingen komen. Uit de praktijk blijkt dat zij streven naar unanimiteit, althans naar een beslissing waarin alle leden van de meervoudige kamer zich kunnen vinden (zie paragraaf 7.8.3). Doet zich in de meervoudige kamer een meningsverschil voor waarin de leden onverzoenlijke posities innemen en daarin volharden, dan wordt beslist bij meerderheid van stemmen. Een lid van de meervoudige kamer dat persisteert in zijn minderheidsstandpunt, dient zich uiteindelijk bij het meerderheidsoordeel neer te leggen en dit te verdedigen als ware het oordeel ook inhoudelijk het zijne. Deze wijze van besluitvorming is echter nergens in de wet vastgelegd; het gaat om rechtstraditie.6
Een fundamentele regel die in de Nederlandse rechtspraak sinds jaar en dag geldt, is het zogeheten geheim van de raadkamer. Over wat er in de raadkamer wordt besproken over aanhangige zaken dient niets naar buiten te komen, ook niet in de uitspraak (art. 7, derde lid, Wet RO). De wet bepaalt voor wie de geheimhoudingsplicht geldt (art. 7, derde lid, en 13 Wet RO). Deze personen zijn de enigen die deelnemen aan de raadkamer.7 De geheimhouding berust op een lange rechtstraditie8 en wordt extensief opgevat: uitlatingen over een zaak buiten de raadkamer zijn niet toegestaan. Het Hof Leeuwarden overwoog hierover:
‘De strekking van artikel 7, lid 3 Wet RO is dat rechters in raadkamer tijdens hun beraadslaging vrijelijk met elkaar moeten kunnen discussiëren en hun gedachten en gevoelens moeten kunnen uitwisselen zonder dat er gevaar bestaat dat dit later buiten de raadkamer openbaar wordt gemaakt en dit hen kan worden tegengeworpen. Rechters moeten in raadkamer ook vrijelijk kunnen terugkomen op een eerder ingenomen standpunt, fouten kunnen maken en emoties kunnen uiten. Het geheim van de raadkamer is algemeen en ruim geformuleerd en omvat de gehele gedachtevorming in raadkamer en al hetgeen bij de bespreking daarvan in raadkamer aan de orde is gekomen. Het gaat er om dat -anders dan datgene wat uiteindelijk in de rechterlijke beslissing terecht komt- de wijze waarop tot de uiteindelijke beslissing is gekomen en de inbreng van elke individuele rechter in de achterliggende beraadslaging geheim blijft. Dit betekent dat een rechter dus niet alleen de meningen van zijn collega-rechters, maar ook zijn eigen persoonlijke afwegingen met betrekking tot een zaak, zoals geuit of tot stand gekomen in raadkamer, niet naar buiten mag brengen.’9
Rechters spreken dus alleen door hun uitspraken.10 Ook de gegevens die de deelnemers vanwege hun beroepsuitoefening onder ogen krijgen en waarvan ze het vertrouwelijke karakter kennen of vermoeden, moeten geheim blijven (art. 13 Wet RO). Logischerwijs zijn de alleensprekende rechter en de eventueel betrokken juridisch ondersteuner in enkelvoudige zaken, analoog aan artikel 7, derde lid, evenzeer aan geheimhouding gebonden. Schendt een rechter het geheim van de raadkamer, dan begaat hij een ambtsmisdrijf in de zin van artikel 272 Sr. Daarop kan een schriftelijke waarschuwing volgen (art. 46c, eerste lid onder b, Wrra). Na een tweede schending kan de rechter worden ontslagen en loopt hij de kans strafrechtelijk te worden vervolgd (art. 46c, derde lid, Wrra jo. art. 272 Sr).11 Veroordelingen van rechters vanwege overtreding van genoemde bepalingen komen zelden voor.