Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/4.3.4.6
4.3.4.6 Samenloop uitzend- en inleen-cao
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943429:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Loonstra, Ondernemingsrecht 1999/3, p. 69-73; Passchier, SMA 2002/1; Van Haelst, ArbeidsRecht 2005/52; Tanja & Van Lent, ArbeidsRecht 2008/11; Tanja, in: Flexibele arbeidsrelaties 5.14.3.6. (online, bijgewerkt 1 januari 2022).
Kamerstukken II 1997/98, 25 264, nr. 7, p. 2 en 3.
Rb. ’s-Gravenhage 31 januari 1996, JAR 1996/60 (Flexmen).
Zie ook: Van Drongelen & Fase 2005, p. 75.
Passchier wees op de relativiteit van een conflict als geen van de betrokken cao’s een standaardkarakter heeft, zie: Passchier, SMA 2002/1, p. 20.
De Chemours-cao’s (looptijd tot juni 2023) staat het werkgevers niet toe werknemers in dienst te nemen of te houden op voorwaarden die afwijken van de cao (art. 2.2 van de cao). Daarmee is een standaardkarakter gegeven.
Omdat zij geen lid zijn van een van de werkgeversverenigingen die partij zijn bij de uitzend-cao en de uitzend-cao evenmin van toepassing hebben verklaard in de uitzendovereenkomsten met hun werknemers.
Conceptmemorie van toelichting bij conceptwetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers, internetconsultatie.nl 9 juli 2023, p. 76; conceptwetsvoorstel Wet meer zekerheid flexwerkers, internetconsultatie.nl 9 juli 2023, p. 6.
Bepalingen over de beloning van uitzendkrachten in inleen-cao’s leiden soms tot samenloop van inleen- en uitzend-cao. In de literatuur is veel geschreven over het ontbreken van een ‘conflictregel’ voor deze situatie.1 Volgens de regering behoort een dergelijke situatie tot het private domein en moeten partijen die onderling oplossen.2 De Rechtbank ’s-Gravenhage hanteerde in 1996 het ‘gunstigheidsbeginsel’, op basis waarvan de cao met de voor de uitzendkracht meest gunstige loonbepalingen van toepassing is.3 Hoewel deze benadering geen vaste jurisprudentie is geworden, sluit toepassing van het gunstigheidsbeginsel wel aan bij het minimumkarakter van de uitzend-cao. Als de cao van de inlener meer biedt, staat de uitzend-cao dat in principe toe.4 Art. 8 lid 4 Waadi bevat bovendien een vergewisplicht voor de inlener. De inlener kan op basis daarvan niet akkoord gaan met beloning conform de uitzend-cao als dat tot een ‘mindere’ beloning leidt dan de eigen cao voor uitzendkrachten voorschrijft. Zolang de inleen-cao een minimumkarakter heeft, lijkt evenmin strijdigheid met de eigen cao te bestaan als de inlenersbeloning uit de uitzend-cao gunstiger is en die wordt toegepast. Een daadwerkelijk conflict ontstaat alleen als de inleen-cao een standaardkarakter heeft en de beloningsbepalingen daarin tot een voor uitzendkrachten minder gunstige beloning leiden dan beloning conform de uitzend-cao.5 Dit komt een enkele keer voor.6 In de praktijk sorteren dergelijke bepalingen doorgaans echter weinig effect. Vanwege het minimumkarakter van de uitzend-cao kan daarvan niet ten nadele van uitzendkrachten worden afgeweken door dergelijke bepalingen uit inleen-cao’s toe te passen. Alleen wanneer de uitzend-cao niet algemeen verbindend verklaard is, kunnen uitzendbureaus die geen lid zijn van een partij bij de uitzend-cao dergelijke bepalingen toepassen. Doorgaans is de uitzend-cao echter algemeen verbindend verklaard. Voor beide partijen, inlener en uitzendbureau, is het dan geen optie zich te conformeren aan de cao van de ander, omdat dan strijdigheid met de eigen cao optreedt. Door in een standaard-cao ten nadele van uitzendwerknemers af te wijken van de inlenersbeloning wordt het voor de aan die cao gebonden onderneming daarmee zeer moeilijk uitzendkrachten in te lenen.
De algemeenverbindendverklaring van de uitzend-cao zorgt er in feite dus voor dat inleen-cao’s het loon van uitzendkrachten niet nadelig kunnen beïnvloeden. Eerder zagen we al dat beloning conform de uitzend-cao steeds dichterbij volledig gelijke beloning van uitzendkrachten en werknemers van de inlener komt. Daarbij plaatste ik al wel de kanttekening dat, afhankelijk van de stand van de arbeidsmarkt, de standpunten en uitgangsposities van partijen bij cao’s kunnen wijzigen, ook die van de partijen bij de uitzend-cao. Niet gegarandeerd is dat het loonniveau van uitzendkrachten in de uitzend-cao zich zo blijft ontwikkelen of ten minste zo blijft. Hetzelfde geldt voor de algemeenverbindendverklaring. Een avv-loze periode kan ertoe leiden dat in meerdere inleen-cao’s standaardbepalingen worden opgenomen die ‘minder’ bieden dan de inlenersbeloning uit art. 8 Waadi of de geldende uitzend-cao. Het aantal conflictsituaties neemt dan toe ten aanzien van uitzendbureaus die wel onder de uitzend-cao vallen, maar niet ten aanzien van uitzendbureaus waarop de uitzend-cao niet van toepassing is.7 Dit kan een opmars van malafide uitzendbureaus uitlokken.
In juli 2023 heeft het kabinet, twee dagen na het demissionair worden, een wetsvoorstel gepubliceerd waarin wordt voorgesteld afwijking van het loonverhoudingsvoorschrift voortaan alleen nog toe te staan bij uitleen-cao. In hoeverre deze ‘voorrangsregel’ daadwerkelijk wordt ingevoerd is op het moment van schrijven onduidelijk.8 Met deze regel zouden geen conflictsituaties meer bestaan, maar verdwijnt ook het voordeel dat inleen-cao’s voor de lonen van uitzendkrachten vaak opleveren.
In plaats van het verbieden van afwijking van art. 8 Waadi bij inleen-cao beveel ik aan in te voeren dat bij inleen-cao niet ten nadele kan worden afgeweken van art. 8 Waadi. Zo wordt de voedingsbodem voor malafide uitzendbureaus verarmd. Inleners met eigen cao-bepalingen over uitzendkrachten kunnen dan immers niet met een uitzendbureau in zee dat deze cao-bepaling niet nakomt. Daarnaast verdwijnt zo ook het loonvoordeel niet dat nu toch vaak voor uitzendkrachten uit inleen-cao’s voortvloeit, doordat in deze cao’s de inlenersbeloning ruimer is gedefinieerd dan in de uitzend-cao.