Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.9
4.3.1.1.9 Kwijting
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500247:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Het verlenen van kwijting moet derhalve worden onderscheiden van het kwijtschelden van een vordering (vgl. HR 20 december 2013, NJB 2014/94). Dit neemt niet weg dat beide figuren vaak voorkomen in een en dezelfde overeenkomst. Zie in dat verband bijvoorbeeld het hiervoor in paragraaf 4.3.1.1.8 besproken arrest HR 29 maart 1995, BNB 1996/244.
Zie onder meer HR 20 december 2013, NJB 2014/94, HR 2 april 2004, NJ 2004/656 en Hof Den Bosch 18 augustus 2015, RCR 2015/83.
Hof Arnhem 26 januari 2010, V-N 2010/28.1.4.
Rechtbank Arnhem 22 december 2008, V-N 2009/26.2.4.
Vgl. HR 4 september 1991, BNB 1991/315.
Waarna bijvoorbeeld over en weer verrekening zou hebben plaatsgehad.
Partijen kunnen afspreken dat er genoegen wordt genomen met een betaling door middel van een andere prestatie dan die aanvankelijk verschuldigd was. Het verrichten van de andere prestatie heeft alsdan het karakter van nakoming van de oorspronkelijke verbintenis. Zie ook paragraaf 4.3.1.1.6.
Civielrechtelijk kader
In met name vaststellingsovereenkomsten komt veelvuldig een zogenoemd kwijtingsbeding voor. Dit beding geeft in de regel aan dat partijen ná het uitvoeren van de gemaakte afspraken over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Veelal worden hiervoor woorden met de strekking ‘partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting’ gebruikt.1 Omdat kwijting een niet vastomlijnde rechtsfiguur betreft,2 geeft zij veelvuldig aanleiding tot discussie.3 De kernvraag hierbij is vrijwel altijd hoe het kwijtingsbeding moet worden uitgelegd, al dan niet met inachtneming van de bedoeling van partijen.
Fiscaalrechtelijk kader
De hiervoor bedoelde discussies kunnen zich ook uitstrekken tot art. 29 Wet OB 1968. Een voorbeeld betreft een zaak die voor Hof Arnhem diende.4 Belanghebbende had in deze zaak een bedrijfspand verhuurd, maar de huurder stopte op een gegeven moment met het betalen van huur. Daarop werd tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beslechting van een aantal tussen partijen gerezen geschillen omtrent over en weer te vorderen bedragen. In een kwijtingsbeding was opgenomen dat over en weer afstand werd gedaan van alle vorderingen en over en weer algehele en finale kwijting werd verleend. Belanghebbende voerde vervolgens een huurcorrectie door en de huurder werd in het verlengde hiervan gecrediteerd voor de destijds openstaande huurvordering. Belanghebbende was van mening dat recht bestond op teruggaaf van de in deze huurtermijnen begrepen btw, omdat zij een prijsvermindering zou hebben verleend. De inspecteur, de rechtbank5 en uiteindelijk ook het hof komen tot een tegenovergestelde conclusie. Geconcludeerd wordt dat belanghebbende geen prijsvermindering heeft verleend, maar dat de huurvordering is begrepen in de kwijting over en weer. Voor de btw betekent dit dat de huurvordering is betaald. De rechtbank (het hof neemt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne) overweegt nog dat de beoordeling anders zou zijn geweest als aannemelijk was geworden dat het de bedoeling van partijen zou zijn geweest om de huurvordering uit te zonderen van de kwijting. Hiervan was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Bovendien had eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij de huurvorderingen had prijsgegeven, zonder dat daar iets tegenover stond of dat deze anderszins onbetaald waren gebleven. Met andere woorden: van een ‘prijsvermindering’ of ‘niet-betaling’ was geen sprake.
Dit is een feitelijk oordeel dat neerkomt op de uitleg van het betreffend kwijtingsbeding. Het lijkt mij dat het kwijtingsbeding ook anders uitgelegd had kunnen worden, namelijk door aan te nemen dat belanghebbende voorafgaand aan de kwijting6 afstand had gedaan van de vordering. Daarbij was dan de vraag opgekomen of deze afstand om niet of om baat had plaatsgevonden. Bij een afstand om niet zou sprake zijn geweest van een kwijtschelding of prijsvermindering, met als gevolg dat art. 29 Wet OB 1968 toepassing had gevonden. Bij een afstand om baat had art. 29 Wet OB 1968 hoogstwaarschijnlijk geen toepassing kunnen vinden. In dat licht had in casu bijvoorbeeld betoogd kunnen worden dat belanghebbende de prijsvermindering alleen had verleend, omdat daar een tegenprestatie van de huurder tegenover stond. Deze tegenprestatie had dan kunnen bestaan in een nieuwe verbintenis (zodat sprake zou zijn van schuldvernieuwing)7 of in een betaling anders dan in geld, bijvoorbeeld in natura (zodat sprake zou zijn van een reguliere betaling).8 Om misverstanden te voorkomen, komt het in de praktijk dus aan op het goed documenteren van de bedoeling van partijen.