RvdW 2026/310:Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e lid 3 Sr. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet moment waarop betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem strafrechtelijk financieel onderzoek a.b.i. art. 126 Sv is ingesteld maar moment waarop OvJ voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, m.b.t. toetsing van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn door HR en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. in ontnemingszaken. Hof heeft moment waarop OvJ het voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken a.b.i. art. 311 lid 1 Sv als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in e.a. Dat oordeel getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is (mede in aanmerking genomen dat door verdediging niet is onderbouwd dat betrokkene al bij aanvang van dit strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem zo’n onderzoek werd ingesteld) ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat Rb van ander aanvangsmoment is uitgegaan. Volgt verwerping. Vervolg op HR 4 oktober 2022, RvdW 2022/949.