Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.1.4
6.3.3.1.4 Geen heden zonder verleden
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501505:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
De resultaten van dit onderzoek (‘Notitie Sanering & art. 29 lid 2 OB-claim, 10 augustus 2000’) zijn als bijlage bij een brief van 4 september 2002 (kenmerk: WDB2000/401M) aangeboden aan de voorzitter van de vaste Commissie van Financiën uit de Tweede Kamer (V-N 2002/45.23).
Artikel 22, onderdeel c, Uitvoeringsregeling Iw 1990 (oud) luidde: ‘de ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 verschuldigde BTW volledig op aangifte wordt voldaan bij de totstandkoming van het akkoord’.
Ik breng in herinnering dat de herzieningsverplichting bij insolventie vaak de grootste btw-schuld is.
Over de handelwijze van de Belastingdienst kom ik in paragraaf 6.3.3.2.1 nader te spreken.
Het loslaten van het vereiste van integrale voldoening van de ‘correctie vooraftrek’ paste ook in het toenmalige (en huidige) regeringsbeleid, dat erop gericht was te voorkomen dat (onderdelen van) levensvatbare ondernemingen onnodig werden geliquideerd. Daarnaast vertoonde de ratio van de eis van integrale voldoening geen directe raakvlakken met de belangrijkste uitgangspunten waarop de kwijtscheldingsregeling voor ondernemers is gebaseerd, zijnde het voorkomen van concurrentieverstoringen, het tegengaan van oneigenlijke subsidieverstrekking, handhaving van het fiscale voorrecht en stimuleren van de levensvatbaarheid van de onderneming na sanering. Bedoelde ratio was het bewaren van een zekere neutraliteit met betrekking tot de omzetbelasting ter zake van lopende (handels)vorderingen. Hierbij ging het de regelgever er in het bijzonder om de neutraliteit te waarborgen ten opzichte van de aan de ‘correctie vooraftrek’ complementaire regeling van art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017), op basis waarvan de Belastingdienst gehouden was een (evenredige) teruggaaf van btw te verlenen aan de leverancier indien zijn vordering niet (geheel) door de schuldenaar werd voldaan. De achtergrond van de eis van integrale voldoening werd dus niet gevonden in EU-rechtelijke motieven: de link met de eigen middelen van de EU werd nooit gelegd. Zie ook de toelichting (Stcrt. 2002, 216, p. 11) op het Besluit nr. WDB2002/666M van de staatssecretaris van Financiën van 5 november 2002 (strekkende tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Iw 1990), V-N 2002/55.20.
Besluit nr. WDB2002/666M van de staatssecretaris van Financiën van 5 november 2002, Stcrt. 2002, 216, p. 11-12. Zie ook Van Oers 2003.
Een stijging van het uitkeringspercentage aan de concurrente schuldeisers heeft tevens een stijging van de vordering van de Belastingdienst tot gevolg.
Dat integrale voldoening van de btw-schuld niet bijdraagt aan de totstandkoming van een akkoord en niet bevorderlijk is voor het voortbestaan van levensvatbare (onderdelen van) ondernemingen vindt bevestiging in een in het jaar 2000 door de Belastingdienst zelf uitgevoerd onderzoek ten aanzien van de werking van de akkoordprocedure.1 Op basis van de toen geldende procedure diende de herzieningsverplichting ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) nog volledig op aangifte te worden voldaan,2 daar waar overige btw-schulden wel konden delen in het dubbele percentage van hetgeen aan concurrente schuldeisers werd uitgekeerd.3 Ter toelichting een voorbeeld:
Voorbeeld 6.4
Concurrente schuldeisers hebben in een faillissement (vóór 2003) een vordering tot een beloop van 600 (inclusief btw) ter verificatie bij de curator ingediend, zodat de omvang van de herzieningsverplichting in eerste instantie4 100 bedraagt (bij een btw-tarief van 20%). Met het oog op een doorstart wordt vervolgens een akkoord overeengekomen, op grond waarvan de vorderingen van concurrente crediteuren voor 30% worden voldaan. De vordering van de Belastingdienst wordt daarop bijgesteld tot 70 (70% van 100). Dit komt overeen met minimum boedelactief van 250 (180 + 70).
Omdat deze uitwerking (ook) door de Belastingdienst als bezwaarlijk werd ervaren,5 werd de akkoordprocedure (mede naar aanleiding van bedoeld onderzoek) met ingang van 1 januari 2003 aangepast naar de procedure zoals wij die nu kennen.6 Onder de huidige regeling is de in het voorbeeld genoemde 70 onderhevig aan een percentage van 60 (het dubbele van 30%), zodat de Belastingdienst genoegen neemt met 42, hetgeen overeenkomt met een boedelactief van 222 (180 + 42). Het verschil (in casu 28) valt daarmee uiteindelijk grotendeels7 ten gunste aan de concurrente crediteuren.
Opvallend is dat onder het oude recht de herzieningsverplichting negatief correleert met het akkoordpercentage: hoe hoger het akkoordpercentage, hoe lager het door de Belastingdienst te ontvangen bedrag. Onder het huidige recht kent de vordering van de Belastingdienst een positieve relatie tot een akkoordpercentage van 50: hoe hoger het akkoordpercentage, hoe hoger de omvang van de herzieningsverplichting. Boven de 50 % is de relatie weer negatief. Uitgaande van het hiervoor opgenomen voorbeeld kan dit als volgt worden samengevat:
Uitkeringspercentage
Uitkering aan concurrente crediteuren
Uitkering aan de Belastingdienst (oud)
Uitkering aan de Belastingdienst (nieuw)
10%
6
90
18
20%
12
80
32
30%
18
70
42
40%
24
60
48
50%
30
50
50
60%
36
40
48
70%
42
30
42
80%
48
20
32
90%
54
10
18
100%
60
0
0
Hieruit volgt dat de conclusie uit het interne onderzoek – in theorie – slechts ten dele juist is. Bij een uitkeringspercentage van meer dan 50 (dit komt in de praktijk zelden tot nooit voor) is de vordering van de Belastingdienst juist hoger dan onder de oude regeling (bij integrale voldoening) het geval was, met als gevolg dat juist de huidige regeling belemmerend werkt bij de totstandkoming van een akkoord. Daarnaast leidt dit tot de merkwaardige situatie waarin de vordering van de Belastingdienst groter kan zijn dan de vordering waarop de Belastingdienst ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968 recht heeft. Immers: bij een akkoordpercentage van 60% bedraagt de herzieningsverplichting in voornoemd voorbeeld 40, terwijl de regels voorschrijven dat de vordering van de Belastingdienst 48 bedraagt. Dit is het gevolg van het feit dat de vordering van de Belastingdienst zowel afhankelijk is van het percentage niet-betaling (art. 29 Wet OB 1968) als het percentage dat aan concurrente crediteuren wordt uitgekeerd. Ik zou daarom menen dat art. 21 en 22 Uitvoeringsregeling Iw 1990 in het licht van hun bedoeling moeten worden uitgelegd en de art. 29-vordering van de Belastingdienst bij een akkoordpercentage van meer dan 50 moet worden afgetopt op de daadwerkelijke herzieningsverplichting en de voorwaarde wordt losgelaten dat de Belastingdienst het dubbele percentage ontvangt (en in zoverre wordt teruggevallen op het vereiste van integrale voldoening).