Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/3.2.1
3.2.1 Informatieverzameling, -uitwisseling en -verwerking
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174185:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Ten Velden & De Wilde 2013, p. 1116-1133, en De Dreu, Nijstad & Knippenberg 2008, die de theorie onderbouwen met veel literatuurverwijzingen.
Uit onderzoek van het CBS blijkt globaal gezien dat hoe hoger mensen zijn opgeleid, hoe meer vertrouwen ze hebben in andere mensen en in instituties. Zo had in 2018 van de WO-geschoolden 84,0 procent vertrouwen in de medemens en 88,9 procent in rechters (CBS, ‘Vertrouwen in mensen en organisaties; persoonskenmerken’, 12 maart 2019).
Ten velden & de wilde 2013, p. 1123; de dreu, nijstad & knippenberg 2008, p. 27. hier zijn de factoren opgenomen die op meervoudige rechtspraak van toepassing kunnen zijn.
In de literatuur wordt deze factor ook wel procesverantwoordelijkheid genoemd.
Ten Velden & De Dreu 2012, p. 39-41; Nijstad 2009, p. 138-139. Zie over de invloed van soorten leiderschap in de Britse en Amerikaanse hooggerechtshoven: Paterson 2013, p. 146-167.
Zie over de rechter-plaatsvervanger onder meer: Terlouw 2018; De Groot-van Leeuwen 2013; Lamens 2012; Malsch 2009.
Frans Bauduin, voormalig vicepresident Rechtbank Amsterdam, in: Buitenhof, 14 oktober 2012.
Zie HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7 (Finkenburgh/Van Mansum); HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 (Vredo/Veenhuis).
Zie onder meer: Bovend’Eert 2015; Hofhuis 2013; Kortmann 2011.
Zie overigens ook paragraaf 7.7.1, waarin gerefereerd wordt aan onderzoek over het effect van lunch op het beslissingsgedrag van rechters.
In Nederland zouden rechters niet aan dergelijke dreiging blootstaan. Elders is dat anders. Zie bijvoorbeeld: European Network of Councils for the Judiciary, Independence, Accountability and Quality of the Judiciary. ENCJ Report 2017-2018, adopted by the General Assembly in 2018.
Interessant is om ter vergelijking een blik te werpen op meervoudige besluitvormingsprocessen in den vreemde. Zo blijkt uit Patersons onderzoek dat de frequentie en effectiviteit van rechterlijke dialogen in de Britse Supreme Court (en voorheen onder de Law Lords) in aanzienlijke mate wordt beïnvloed door de uitwisseling van individuele commentaren op een zaak, de voor een zaak beschikbare tijd en de samenstelling van de meervoudige kamer. Wat dit laatste betreft is niet zozeer de persoonlijke ideologie van de leden bepalend, als wel hun bereidheid tot collegiale besluitvorming, hun leiderschapskwaliteiten en de nabijheid van hun werkkamers (Paterson 2013, p. 123-169). Verder wijst Afonso da Silva op twee anomalieën in de besluitvorming door het Braziliaanse hooggerechtshof (2013). Ten eerste komen de rechters in het Braziliaanse Hooggerechtshof in afzondering tot hun oordeel. Vervolgens geven zij in de raadkamer bij hoofdelijke omvraag een individuele opinie. Beraadslagen doen zij niet. De president en de griffier stellen uit de opinies een meerderheidsbeslissing samen waaruit moet volgen of het hof een ter cassatie voorgedragen besluit constitutioneel of onconstitutioneel acht. Een tweede opmerkelijkheid is dat de raadkamerbijeenkomsten openbaar zijn en zelfs worden uitgezonden (Afonso da Silva 2013, p. 569-576). Zie verder Mak (2013) over vergelijking van werkwijzen van Westerse hooggerechtshoven en Hourquebie (ed., 2007) over meervoudige rechtspraak in diverse landen.
In een besluitvormingsproces verzamelt een individu informatie die het van belang acht voor de beslissing. Vervolgens verwerkt het individu deze informatie tezamen met kennis waarover het al beschikte. Een groepsbesluitvormingsproces onderscheidt zich hiervan op ten minste twee manieren: doordat er méér informatie en inzichten beschikbaar zijn en doordat de uitwisseling en verwerking daarvan onderhevig zijn aan groepsdynamische factoren. De ruimere aanwezigheid van informatie is in principe gunstig voor de kwaliteit van besluitvorming; de groepsdynamica kan deze zowel bevorderen als afremmen. De sociale psychologie leert dat de kwaliteit van een groepsbeslissing in hoge mate wordt bepaald door een combinatie van sociale en epistemische motivatie van de groepsleden (zie figuur 3.2). Ten Velden & De Wilde en De Dreu e.a. leggen dit proces als volgt uit, eerst door bespreking van sociale en vervolgens van epistemische motivatie.1
Je zou veronderstellen dat mensen die gezamenlijk een beslissing moeten nemen streven naar een optimale beslissing, bij voorkeur verkregen door consensus. In de praktijk blijken zij niet alleen dit doel voor ogen te hebben, maar ook gedreven te worden door sociale motivatie, oftewel persoonlijke motieven. Deze zijn grofweg te duiden als hetzij coöperatief hetzij individualistisch. Voor personen met een coöperatieve motivatie is de besluitvorming een gemeenschappelijke taak die het beste in harmonie kan worden verricht. Voor personen met individualistische motivatie is persoonlijk succes leidend. Zo kunnen zij erop gebrand zijn om de groepsbeslissing zoveel mogelijk overeen te laten komen met hun persoonlijke voorkeuren, met voorbijgaan aan die van anderen. Ook mogelijk is dat ze weinig belangstelling hebben voor de inhoud van de beslissing, maar des te meer voor het verwerven van status binnen de groep (bijvoorbeeld door kennis te etaleren) of het opstrijken van de eer van een gezamenlijke prestatie.
Figuur 3.2 Motivatie voor informatieverwerking ten behoeve van besluitvorming
Wellicht bestaat de indruk dat coöperatief gedrag zonder meer bevorderlijk is voor de informatiedeling en -verwerking binnen groepen. Dat is niet het geval. Weliswaar stimuleert een geest van samenwerking het besluitvormingsproces, maar als groepsleden al te sterk gefocust zijn op behoud van harmonie en consensus, zullen ze hun aandacht slechts richten op gedeelde informatie, die door velen of allen wordt herkend. Dáár spreken zij dan graag over en die achten zij belangrijk. Dat leidt tot (zelf)censuur en gaat ten koste van unieke informatie van individuele leden, die evenzeer waardevol kan zijn. Een ander nadelig effect is dat groepsleden die over gedeelde informatie spreken als beter geïnformeerd en bekwamer worden beschouwd, waardoor hun invloed in de groep toeneemt. Mensen vervullen graag zo’n rol, met als gevolg dat steeds meer groepsleden zich dit gedrag gaan aanmeten.
In individualistische motivatie schuilen ook risico’s. Zo komt het voor dat groepsleden uitsluitend argumenten en informatie aandragen die hun eigen ideeën, argumenten en voorkeuren onderbouwen. Ook kunnen ze zich daar gaandeweg ‘eigenaar’ van gaan voelen, aangezien ze de nodige energie hebben gestoken in de ontwikkeling daarvan. Het gevolg kan zijn dat de groepsleden steeds maar weer de aantrekkelijkheid en juistheid van hun ideeën benadrukken, defensief reageren als die in twijfel worden getrokken en tegenargumenten resoluut van tafel proberen te vegen. Andermans ideeën worden in zulke omstandigheden weinig serieus genomen, laat staan geïntegreerd met hun eigen ideeën tot een gezamenlijke beslissing. Gunstig voor de besluitvorming is echter dat bij onderlinge onenigheid de groepsleden meer unieke informatie zullen uitwisselen, wat de kwaliteit van een besluitvormingsproces ten goede komt.
De meeste mensen zijn niet louter coöperatief of individualistisch ingesteld. De mate waarin bepaalde motieven leidend zijn in een beslissingssituatie is afhankelijk van stabiele persoonlijkheidskenmerken (karakter) en situationele factoren. Wat betreft karakter denke men bijvoorbeeld aan de mate waarin iemand van nature geneigd is te streven naar beslissingen waarin zowel rekening is gehouden met de belangen en ideeën van anderen als die van hemzelf. Deze houding wordt pro-sociale-waardenoriëntatie genoemd. Verder zijn ook vriendelijkheid en vertrouwen in anderen bepalend. Zijn deze sterk, dan dragen ze bij aan de coöperatieve motivatie van een groep. Belangrijke situationele factoren die deze motivatie bevorderen, zijn een collectieve identiteit en relatie tussen de groepsleden. Groepsleden die elkaar goed kennen of verwachten in de toekomst vaker te gaan samenwerken, stellen zich eveneens coöperatiever op. Dat gebeurt ook als de groepsleden instructies hebben ontvangen dat ze rekenschap moeten geven van de voorkeuren van anderen. In figuur 3.3 zijn de besproken factoren voor coöperatief-sociale en (in het vervolg toegelichte) epistemische motivatie weergegeven.
Wat betekenen deze factoren voor meervoudige rechtspraak? De persoonlijkheidskenmerken van rechters als groep laten zich te weinig duiden om er harde uitspraken over hun sociale motivatie in het algemeen op te baseren. Naar verwachting is hun pro-sociale motivatie vrij hoog, omdat deze eigenschap wordt gewaardeerd bij de selectie van rechters.2 Vermoedelijk is ook het vertrouwen van rechters in anderen en in instituties hoog.3 Over situationele factoren valt iets meer te zeggen. Het rechtersvak onderscheidt zich duidelijk van andere ambten en professies. Rechters zijn zich bewust van hun ambt en van hun verantwoordelijkheden als staatsmacht. Derhalve beschikken zij over een collectieve identiteit. Verder werken rechters in afdelingen en teams waar ze elkaar geregeld tegenkomen. Ze kennen elkaar, werken geregeld met elkaar samen en beseffen dat ze dat zullen blijven doen. Gedragsinstructies ontvangen rechters hoogstens in algemene zin, bijvoorbeeld in hun opleiding en in cursussen. Ze geven elkaar in wisselende mate feedback, zoals over hun zittingsvaardigheden. Deze situationele factoren zijn bevorderlijk voor de coöperatieve motivatie van rechters.
Figuur 3.3 Persoonlijkheidskenmerken en situationele factoren die de coöperatief-sociale en epistemische motivatie bevorderen (+) of afremmen (-)4
Coöperatief-sociale motivatie
Epistemische motivatie
Persoonlijkheidskenmerken
Pro-sociale-waardenoriëntatie (+)
Vriendelijkheid (+)
Neiging tot vertrouwen (+)
Behoefte aan cognitie (+)
Openheid voor ervaringen (+)
Behoefte aan cognitieve afsluiting (-)
Situationele factoren
Collectieve identiteit (+)
Interacties in het verleden (+)
Verwachte interacties in de toekomst (+)
Instructies derden tot samenwerking (+)
Behoefte aan structuur (-)
Observatie en evaluatie (+)
Tijdsdruk (-)
Externe dreiging (-)
Diversiteit van voorkeuren (+)
Kritische norm (+)
Sterke minderheden (+)
Unanimiteitsregel (+)
Machts- en statusoverwicht (-)
Autocratisch leiderschap (-)
Epistemische motivatie is evenzeer bepalend voor de kwaliteit van een besluitvormingsproces. Dit type motivatie verwijst naar de bereidheid van een individu om zich in te spannen voor een grondig en waarheidsgetrouw begrip van de wereld. Net als sociale motivatie staat zij onder invloed van persoonlijke eigenschappen van groepsleden. Hier gaat het zoal om de mate waarin een persoon open staat voor ervaringen en behoefte heeft aan cognitie, cognitieve afsluiting en structuur. Behoefte aan cognitie duidt op de intrinsieke, intellectuele wens om de wereld te begrijpen en daartoe informatie intensief te verwerken. Mensen voor wie dit geldt, hebben een goed afgestelde antenne voor de kwaliteit van argumenten en vertrouwen minder snel op heuristieken. Meer behoefte aan cognitie impliceert hogere epistemische motivatie. Dat geldt ook voor het persoonlijkheidskenmerk ‘openheid voor ervaringen’. Dit omvat een reeks van eigenschappen, zoals voorstellingsvermogen, creativiteit, ontvankelijkheid voor ideeën en opmerkzaamheid voor gevoelens.
Personen met behoefte aan cognitieve afsluiting verlangen naar eenduidige en stellige antwoorden op vragen (zie paragraaf 3.1.3). Zij redeneren vaak rigide en zijn geneigd snel een oordeel te vellen, ook bij onvoldoende bewijs. Wie weinig behoefte heeft aan cognitieve afsluiting gaat juist op zoek naar aanvullende informatie en steekt meer energie in de interpretatie daarvan. Net als behoefte aan structuur is zij negatief gecorreleerd aan epistemische motivatie. Personen met behoefte aan structuur zijn sneller geneigd op grond van eerdere ervaringen de werkelijkheid te simplificeren en te vertrouwen op stereotypen. Ook staan zij minder open voor afwijkende inzichten en minderheidsstandpunten dan personen die minder snel structuur verlangen.
Naast deze persoonlijkheidskenmerken die van invloed zijn op de informatieverwerking, zijn er externe factoren die op haar inwerken. Het belang van de te nemen beslissing is er een van; de mate waarin groepsleden verwachten dat ze worden geobserveerd en geëvalueerd bij het nemen van een beslissing een andere.5 Als die verwachting hoog is, dan zullen groepsleden zich voor proces en uitkomst verantwoordelijk voelen en informatie grondiger verwerken, wat de kwaliteit van de beslissing ten goede komt. Als groepsleden tijdsdruk ervaren, een andere externe factor, dan wisselen zij minder informatie uit. Individuele beslissers onder gevoelde tijdsdruk verlaten zich sneller op heuristieken en stereotypen om een beslissing te kunnen nemen, die dan eerder suboptimaal zal zijn. Dit geldt vanzelfsprekend evenzeer bij vermoeidheid. Ook externe dreiging, bijvoorbeeld als beslissers beseffen dat ze persoonlijke gevolgen voor hun beslissing zullen ondervinden, belemmert een deugdelijke probleemoplossing.
Groepskenmerken zijn evenzeer bepalend voor de epistemische motivatie van informatieverwerking. Zo leidt homogeniteit van voorkeuren onder groepsleden ertoe dat ze sneller overtuigd zijn van de juistheid daarvan. Dat verzwakt de epistemische motivatie. Heterogeniteit van voorkeuren daarentegen zet groepsleden er juist toe aan meer informatie te zoeken vanwege onzekerheid over de juistheid van de beslissing. Zeer belangrijk is ook het bestaan van een kritische norm in de groep, oftewel een sfeer waarin men elkaar inhoudelijk mag bekritiseren. Is dat het geval, dan komt dit de epistemische motivatie ten goede.
Groepsbesluitvorming vergt beslisregels, waarmee voor iedereen op voorhand duidelijk is op welke manier een beslissing wordt genomen. Daarvan bestaan in principe twee varianten: de unanimiteits- en de meerderheidsregel. De eerste beweegt groepsleden ertoe meer informatie uit te wisselen en te verwerken dan de tweede. Elk groepslid dient bij een unanimiteitsregel immers te worden overtuigd om gezamenlijk een beslissing te kunnen nemen. Dit leidt er ook toe dat het groepslid met de meest extreme opvatting daarvan meer terugvindt in de beslissing wanneer besloten wordt bij unanimiteit. Niettemin blijkt dat ook als beslist wordt bij meerderheid en die meerderheid zich duidelijk aftekent het zinvol is om minderheidsstandpunten niet te verzwijgen, maar in de discussie in te brengen. Zij brengen de groep ertoe om alternatieve beslissingen serieuzer te overdenken en niet louter bevestigende informatie te zoeken.
Als groepsleden sterke machts- en statusverschillen ervaren, dan kan dit nadelig uitpakken voor de epistemische motivatie van leden zonder veel macht of status. Zij laten zich er soms toe verleiden zich te richten op degenen met macht en status, met als gevolg dat ze zich minder vrij voelen om eigen, afwijkende standpunten in de discussie in te brengen. Machts- en statusoverwicht kunnen ook gunstig zijn voor de kwaliteit van de besluitvorming, namelijk als een leider zijn invloed goed benut. Weet een leider te inspireren en groepsleden ertoe aan te zetten deel te nemen aan de discussie, dan pakt dit gunstig uit voor de epistemische motivatie. Een autocratische stijl van leidinggeven daarentegen nodigt groepsleden niet uit (afwijkende) standpunten naar voren te brengen. In de literatuur wordt geopperd dat het probleem van ongedeelde informatie kan worden beperkt met een groepsleider die optreedt als informatiebeheerder. In die rol stimuleert hij groepsleden om aan de discussie deel te nemen en merkt hij ingebrachte informatie van individuele leden op. Een andere manier om te voorkomen dat informatie onvoldoende wordt gedeeld en gewaardeerd, is experts in een groep opnemen. Als bekend is wie van de groepsleden waarin deskundig is, dan weet men gemakkelijker bij wie over een bepaald onderwerp informatie is in te winnen.6 Rechters-plaatsvervangers kunnen deze rol vervullen in meervoudige kamer.7 Vanzelfsprekend dienen juist experts onbevooroordeeld en daadwerkelijk onderlegd te zijn, aangezien hun inbreng aan minder controle blootstaat dan informatie die door meerdere leden wordt begrepen of waarover meerdere leden beschikken.
Wat betekenen de besproken factoren voor de epistemische motivatie van rechters in meervoudige kamer? Rechters worden geselecteerd op en getraind in hun vermogen tot analytisch denken en hun wil om uit te zoeken hoe iets zit. Dat duidt op hoge behoefte aan cognitie en lage behoefte aan cognitieve afsluiting en structuur. Bij hoge productiedruk, achterstanden en deadlines zou de verleiding groter kunnen zijn om onderzoek sneller voor voltooid te verklaren. Verder zullen rechters met veel ervaring vaker soortgelijke zaken herkennen, waardoor de neiging zou kunnen bestaan die zaken al na snelle aanschouwing af te doen op de wijze waarop dat altijd gebeurt.
Rechters zijn zich bewust van het belang van de beslissingen die ze nemen. Vanwege het geheim van de raadkamer wordt hun besluitvormingsproces niet door derden geobserveerd, maar de uitkomst ervan, de beslissing en motivering, wordt bekendgemaakt en door derden geëvalueerd. Ook laten de leden van de meervoudige kamer zich door het karakter van de raadkamer bekijken door gelijken (peers), wat een aanmoediging is om informatie des te grondiger te zoeken en te verwerken. Aannemelijk is dus dat rechters in meervoudige kamer sociale controle op hun functioneren en beslisgedrag ervaren, die de kwaliteit van de besluitvorming evenzeer kan beïnvloeden en ook bevorderen. Zo zei voormalig strafrechter Bauduin in het discussieprogramma Buitenhof:
‘Heel vaak zit je in een combinatie van drie. Er is [dan] ook onderling allerlei controle op de zaak. [...] Stel voor, je zit met een meervoudige kamer waarbij het gaat om een straatroof van een oude vrouw die is overvallen. Als je zelf een oude moeder hebt, is dat een omstandigheid die je moet inbrengen in het overleg. Van, hou me wel in de gaten, want dit raakt me persoonlijk. Op die manier werken rechters.’8
De verplichting om rekenschap te geven van een beslissing levert eveneens een prikkel op om informatie grondig te verwerken. In de rechtspraak wordt hierin voorzien door de verplichting om uitspraken te motiveren.9 Voor het overige mogen rechters zich gelet op hun onafhankelijkheid niet verantwoorden – noch voor partijen en samenleving, noch voor elkaar of hun functioneel leidinggevenden.10
Tijdsdruk, waar rechters regelmatig mee te kampen hebben, zet hen er juist toe aan sneller beslissingen te nemen, ook als er nog onvoldoende informatie is verzameld of verwerkt.11 Ook externe dreiging belemmert de epistemische motivatie, bijvoorbeeld wanneer de loopbaanperspectieven van rechters afhankelijk worden van de inhoud van hun beslissingen.12
Binnen de rechtspraak wordt veel meer dan vroeger het belang benadrukt van een werksfeer waarin rechters en medewerkers elkaar op hun functioneren kunnen aanspreken. Hoewel dat niet altijd gemakkelijk is, bevordert het wel een open sfeer die de epistemische motivatie ten goede komt. Groepsleden dienen te voorkomen dat ze slechts informatie delen die hun voorkeuren ondersteunen, maar ook dat ze geen ruimte laten aan inzichten uit vrees de harmonie in de groep te verstoren. Essentieel voor de kwaliteit van de besluitvorming is dat het overleg plaatsvindt in een open sfeer, waarin de deelnemers ongestraft mogen terugkomen op eerdere standpunten. Het geheim van de raadkamer draagt bij aan een dergelijke open sfeer (zie paragraaf 4.4.2), ook al kan het besef door derden te worden geobserveerd voor groepsbeslissers een prikkel zijn om zich extra in te spannen voor een deugdelijke gedachtewisseling.
Een kritische blik moet er ook voor zorgen dat inzichten, ideeën en voorkeuren van de leden van een raadkamer niet al te snel op elkaar gelijken. Tegenspraak in de raadkamer is juist een instrument voor kwaliteitsverbetering (zie paragraaf 7.8.4). Bij de aanstelling van rechters wordt gelet op hun vermogen om tegengestelde visies te durven geven en in cursussen wordt er aandacht besteed. Ook in het arbeidsproces zelf verdient tegenspraak blijvende aandacht, temeer daar mensen die in niet al te grote teams samenwerken in ideeën en gewoonten meer naar elkaar toe groeien. Dat is niet per definitie verkeerd, maar wel als deze ontwikkeling het onafhankelijk denken en handelen belemmert. Dit proces is tegen te gaan door afdelingen, teams en meervoudige kamers divers samen te stellen en door het rouleren van rechters en ondersteuners over gerechten, afdelingen en teams te bevorderen.
Uit interviews en observatie in dit onderzoek alsook uit literatuur blijkt dat in de raadkamer wordt gestreefd naar unanimiteit en zelden wordt gestemd (zie paragraaf 7.8.3). Deze praktijk bevordert de epistemische motivatie van rechters, omdat ze de leden van de meervoudige kamer ertoe aanzet om meer informatie te delen en te verwerken. Verder komen machts- en statusverschillen ook in de rechtspraak voor. Rechters verschillen in de mate waarin zij gezag genieten, bijvoorbeeld door rang en anciënniteit. Dat moet hun er uiteraard niet van weerhouden hun inzichten kenbaar te maken. Daarom is het verstandig dat bij de ‘hoofdelijke omvraag’ in raadkamer eerst de griffier en rechter met het minst aantal dienstjaren naar diens opvatting wordt gevraagd en als laatste pas de voorzitter, zoals de Wet RO ooit bepaalde (zie paragraaf 4.4.2). In de geobserveerde raadkameroverleggen was dit geen standaardpraktijk. De voorzitter kan de epistemische motivatie in de raadkamer nog op andere manieren dienen, namelijk door de leden aan te zetten tot nadenken en discussie, door terloops ingebrachte informatie niet te veronachtzamen en door zijn eigen voorkeuren niet op te dringen. In de bijgewoonde raadkamers drongen de voorzitters zich niet op, maar was van andersoortige voorzittersinvloed ook weinig te bespeuren (zie paragraaf 7.8.1).13
Samengevat vooronderstelt adequate groepsbesluitvorming dat de leden van de groep relevant geachte informatie inbrengen, bereid zijn naar elkaars argumenten te luisteren alsook bereid zijn overtuigd te worden, dat ze argumenten alleen op hun merites beoordelen en dus niet op degene die ze geeft, en dat ze de besluitvorming als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid beschouwen. Deugdelijke groepsbesluitvorming is het resultaat van coöperatieve en hoge epistemische motivatie.