Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/429:429 Afwijzingsgronden
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/429
429 Afwijzingsgronden
Documentgegevens:
mr. E. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. E. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451050:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de civiele procedure hebben de waarheidsvinding en efficiency (hierna: efficiëntie) in een relatief korte tijd een sleutelpositie ingenomen in het civiele procesrecht. Tussen de waarheidsvinding en efficiëntie bestaat een direct verband: als partijen in een zo vroeg mogelijk stadium volledige openheid van zaken geven en (het bewijs van) de relevante feiten kennen, wordt een goed, vlot en efficiënt verloop van een civiele procedure bevorderd. De ontwikkeling naar het in een vroeg stadium vaststellen van de relevante feiten ten behoeve van schikkingen en een efficiëntere procesvoering is ook in Duitsland, Engeland en Frankrijk zichtbaar. In Duitsland en Frankrijk worden de mogelijkheden om feiten voorafgaand aan het moment van bewijslevering in de hoofdzaak te verzamelen iets ruimer, terwijl in Engeland de afgelopen jaren is ingezet op een meer efficiënte bewijsverzameling. Het middel van het voorlopig getuigenverhoor is een nuttig middel en past goed bij de uitgangspunten van waarheidsvinding en efficiëntie in de civiele procedure, omdat in een vroeg stadium de feiten die door getuigen kunnen of moeten worden bewezen kunnen worden vastgesteld, waardoor een latere procedure kan worden vermeden of efficiënter kan worden gevoerd. Het voorlopig getuigenverhoor kent echter ook nadelen. Het middel is tijdrovend, kostbaar en vatbaar voor misbruik. Op dit moment bestaat er echter geen afdoende alternatief voor het voorlopig getuigenverhoor. Een goed alternatief zou een geheel mondeling getuigenverhoor naar Engels voorbeeld zijn, waarbij partijen de getuigen horen ten overstaan van een gerechtsonderzoeker (par. 1.1, 1.2 en 3.5, zie verder par. 11.8).
Vóór 2002 werd een aan de wettelijke eisen voldoend verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor door de Hoge Raad slechts afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid. De nadelen van het voorlopig getuigenverhoor deden de behoefte ontstaan aan meer ruimte voor afwijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. In drie arresten in 2002, 2003 en 2005 legde de Hoge Raad het gebruik van het voorlopig getuigenverhoor meer aan banden door uitbreiding van de afwijzingsgronden. Het verzoek kan thans worden afgewezen op vier gronden: onvoldoende belang van de verzoeker, misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde en een ander, zwaarwichtig bezwaar (par. 6.2 en 6.3).
De vier afwijzingsgronden van het voorlopig getuigenverhoor hebben verschillende gemeenschappelijke kenmerken. Ten eerste begrenzen zij de in abstracto bestaande bevoegdheid tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor. Ten tweede zijn zij open normen die invulling behoeven. Ten derde is de invulling van de open normen afhankelijk van factoren als de in Nederland levende rechtsovertuigingen en maatschappelijke opvattingen (van burgers, van de rechterlijke macht en de advocatuur) en praktische bezwaren. Ten slotte heeft de rechter bij geen van de afwijzingsgronden een discretionaire bevoegdheid (par. 6.4).
Hierna worden de vier afwijzingsgronden nader afgebakend. Het uitgangspunt daarbij is dat enerzijds de nuttige functies van het voorlopig getuigenverhoor moeten worden bewaard, terwijl anderzijds wordt gewaarborgd dat het middel op een efficiënte wijze wordt ingezet. Steeds dient eerst te worden beoordeeld of de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek. Zo ja, dan komen de drie andere afwijzingsgronden in beeld. Voor het aannemen van misbruik geldt de zwaarste stelplicht en voor de gronden strijd met de goede procesorde en een ander zwaarwichtig bezwaar geldt een minder zware stelplicht. Bij de bespreking van de afwijzingsgronden wordt ervan uitgegaan dat het voorlopig getuigenverhoor wordt gebruikt voor het verzamelen van getuigenbewijs. Na de bespreking van de afwijzingsgronden wordt aandacht geschonken aan het voorlopig getuigenverhoor dat wordt ingezet als middel om bewijs te bewaren (par. 6.5).