Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.7.3:2.7.3 Beoordeling van gebruik van getuigenverklaringen als bewijsmiddel
Stille getuigen 2015/2.7.3
2.7.3 Beoordeling van gebruik van getuigenverklaringen als bewijsmiddel
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427.
Zie bijvoorbeeld HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 132.
Onder verwijzing naar EHRM-jurisprudentie zijn de regels inderdaad aangepast dan wel uitgebreid in HR 14 april 1998, NJ 1999, 73, HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672 en HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145.
In § 3.2.1 van hoofdstuk 8 zal ik ten aanzien van codificatie een aanbeveling doen.
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 februari 1994 – al dan niet toevallig ook de dag waarop de Wet getuigenbescherming in werking trad, die de anonieme getuige in het Wetboek van Strafvordering introduceerde –wees de Hoge Raad een overzichtsarrest, dat ik hierna zal aanduiden als het arrest Grenzen getuigenbewijs.1 In de periode hiervoor had de Hoge Raad onder invloed van de Straatsburgse jurisprudentie reeds een groot aantal uitspraken gedaan over zaken waarin getuigen niet door de verdediging ondervraagd hadden kunnen worden, maar hun verklaringen wel als bewijsmiddel waren gebruikt.2 In r.o. 6.3.3 van het arrest Grenzen getuigenbewijs signaleerde de Hoge Raad dat desondanks in de praktijk onzekerheid bleek te bestaan over de vraag ‘of en in hoeverre de rechter in bepaalde processuele situaties gebruik magmaken van (...) in ambtsedige processen-verbaal vervatte verklaringen voor het bewijs’.Omdeze onzekerheid weg te nemen gaf de Hoge Raad een overzicht van de op dat moment geldende regels. Hij hield uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat deze regels later zouden worden aangepast naar aanleiding van ontwikkelingen in de ehrm-jurisprudentie.3 De jurisprudentiële regels over niet-ondervraagde getuigen zijn overigens nooit gecodificeerd.4
In r.o. 6.3.2 wordt vooropgesteld dat een in een proces-verbaal opgenomen getuigenverklaring moet worden beschouwd als de verklaring van een getuige in de zin van artikel 6 lid 3, aanhef en sub d evrm. R.o. 6.3.3 is onderverdeeld in drie onderdelen. Onderdeel i bepaalt dat het gebruik voor het bewijs van een schriftelijke de-auditu-verklaring die in een ambtsedig proces-verbaal is opgenomen, in beginsel niet onverenigbaar is met artikel 6 lid 3, aanhef en sub d evrm. Onderdeel ii van r.o. 6.3.3 vormt de kern van de overwegingen met betrekking tot het ondervragingsrecht en luidt:
‘Van onverenigbaarheid als onder (i) bedoeld is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Van de verdediging mag in de regel het nodige initiatief daartoe worden verwacht. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, lid 3, aanhef en onder d, evrm gewaarborgde recht. Dat de rechter geen gijzeling van die getuige heeft bevolen doet daaraan niet af. Voorts is van ongeoorloofdheid als onder (i) bedoeld geen sprake indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.’
Hier worden drie aspecten genoemd die relevant zijn: initiatief van de verdediging, de vraag of een ondervragingsgelegenheid heeft bestaan en de vraag of voldoende steunbewijs bestaat. In 2013 heeft de Hoge Raad een nieuw standaardarrest gewezen.5 Daarin heeft hij grote delen van het arrest Grenzen getuigenbewijs overgenomen, om vervolgens aan te geven dat bepaalde rechtsoverwegingen daarvan anders moeten worden ingevuld of niet meer van toepassing zijn. Ook zijn daarin overwegingen opgenomen met betrekking tot het aannemen van afstand van het ondervragingsrecht en met betrekking tot compensatie. In de volgende paragraaf en in de hoofdstukken 4, 6 en 7 zal nader worden ingegaan op de betekenis van het (nieuwe) standaardarrest.